IPCC-rapport op straat, maar er staat niks in

Van onze verslaggever
Martijn van Calmthout
AMSTERDAM Niet citeren of verspreiden. Onder alle meer dan duizend pagina’s van het concept-rapport van het VN-klimaatpanel IPCC, te verschijnen in 2013, staat het. Maar vrijdag lag het toch gewoon op straat, door toedoen van een kritische insider.
Blogger en klimaat-scepticus Alec Rawls, een felle tegenstander van de inperking van CO2-uitstoot, plaatste de vijftien hoofdstukken, bijlages en samenvattingen donderdag als pdf op zijn website. Hij onderstreept passages waarin naar zijn idee het IPCC onderkent dat de zon een veel grotere rol in klimaatverandering speelt, dat tot nog toe werd aangenomen. ‘Denk maar niet dat die de eindversie van het rapport halen’, noteert Rawls er cynisch bij.
Over de herkomst van de gelekte stukken bestaat, anders dan twee jaar geleden toen duizenden e-mails van Britse klimaatwetenschappers op internet verschenen, geen enkele onduidelijkheid. Rawls, een econoom van huis uit, is een van de 800 reviewers die zich hebben gemeld om mee te lezen met de opstellers van het vijfde assessment report van het IPCC. Anders dan in voorgaande rondes van de vierjaarlijkse IPCC-rapporten, konden ook critici zich daarvoor melden.
Het Intergovernemental Panel on Climate Change van de VN is een wereldwijde samenwerking van wetenschappers die eens in de vier jaar de stand van de kennis over het klimaat opmaken. Daartoe doen ze geen eigen onderzoek, maar wordt de wetenschappelijke literatuur doorgeploegd en samengevat. De resultaten worden, meer nog dan in eerdere rapportages, gebracht in termen van waarschijnlijkheden. De Nederlandse klimatoloog Albert Klein Tank is een van de auteurs van het belangrijkste deel van het rapport: de samenvatting voor beleidsmakers.
De conclusies over de stand van het klimaat en de opwarming zijn in de gelekte versie van 5 oktober jongstleden nauwelijks anders dan drie jaar geleden in het vierde assessment report.
De opwarming van de aarde beloopt waarschijnlijk 1.8-6.4 graden in het jaar 2100, en de oorzaak daarvan is zeer waarschijnlijk de menselijke uitstoot van broeikasgassen als CO2. In de grote lijnen is het IPCC nu vooral nog wat stelliger over klimaatverandering dan in de voorgaande rapportage, omdat er weer meer gegevens en betere modellen konden worden gebruikt.
Opvallend is wel dat de schattingen van de zeespiegelstijging, die in het voorgaande rapport werd geschat op 18-59 centimeter tot einde deze eeuw, nauwelijks anders uitvallen dan vier jaar geleden. Volgens sommige critici van het IPCC gingen die schattingen niet ver genoeg omdat het afsmelten van ijs op Groenland niet voldoende in de modellen zou zitten. Volgens het concept-rapport is er nog steeds te weinig wetenschappelijke zekerheid over de smeltprocessen op Groenland om de prognoses aan te passen.
Het vijfde eindrapport van het IPCC zal volgens plan in september 2013 worden gepubliceerd.

Debunken voor beginners

Je zou denken dan www.skepticalscience.com een website is waar aan alles waar het woord klimaat in voorkomt, wordt getwijfeld. Maar het tegendeel is waar. De site is een wapenkamer voor wie klimaatsceptici de oren wil wassen. Geen kletsverhaal zo bont, of de makers weten er wel raad mee.

Dat is handig, voor als de pathologische twijfelaars voor de zoveelste keer toeslaan en je eens een keer even geen zin hebt om aan de bak te gaan. Nog interessanter en leerzamer, is echter dat de site ook zelf aan theorievorming doet. Niet over klimaat. Wel over de aanpak van klimaatsceptici.

Een en ander is verpakt in een handzame brochure, het Debunking Handbook van John Cook en Stephan Lewandowsky, die een keur aan do’s en don’ts levert voor een effectief debat met klimaatsceptici. Gratis te downloaden.

Klimaatsceptici grossieren in losse eindjes en bouwen daar hapklare mythes omheen. Dat het klimaat niet verandert. Dat het altijd verandert. Dat het de zon is. Dat er geen consensus is. Dat het maar modellen zijn. Dat het niet erg is. Dat de natuur zich wel aanpast. Dat het kouder wordt. Dat het Zuidpoolijs groeit.

Hoe dit te lijf te gaan? De goeddeels psychologische lessen in het handboek zijn eigenlijk te simpel voor woorden. .1 Negeer de onzin die je wilt bestrijden, breng je eigen boodschap. 2. Geef nooit te veel informatie tegelijk, meer is doorgaans vooral minder. 3. Negeer de die-hard tegenstanders, concentreer je op de onbesliste meerderheid. En 4. bied een helder alternatief voor wat je debunkt.

Belangrijke vuistregels en dus een must-read. Met name voor wetenschappers, die vaak hardnekking blijven denken dat feiten beslissend zijn. Waardoor ze tegen liegende opponenten eigenlijk geen verweer hebben.

Komt het nu dus allemaal goed? Dat lijkt me ook sterk. Al was het maar omdat klimaatsceptici precies dezelfde psychologische vuistregels gebruiken om de argeloze aardbewoner een oor aan te naaien. Sterker, dat doen ze al jaren.

50 miljoen ton mais is ook best veel

Moet bioethanol verboden worden, nu de wereld op de rand van een voedselcrisis balanceert? Een uitgemaakte zaak, zou je denken. Wat je in een auto stopt kun je niet in een maag stoppen. Land waar biobrandstof op groeit, kun je niet voor eetbare zaken gebruiken.

In die zin was de oproep van FAO-baas José Graziano da Silva eerder deze maand in de Financial Times ook goed te begrijpen. Amerikaanse boeren kreunen onder de ergste droogte in een halve eeuw en produceren ver onder de verwachtigen. Maar toch wordt tweevijfde van de mais voor bioethanol gereserveerd, omdat de wet bijmengen eist.

Of die wet dus niet even kan worden opgeschort, vroeg Graziano da Silva. Opdat de tekorten en dus de prijzen op de voedselmarkten niet nog verder oplopen. Ook internationaal.

Klinkt niet onzinnig, en het schijnt dat zelfs president Obama inmiddels nadenkt over zijn bijmengverplichting. Maar de Amerikaanse boerenwoordvoerder Tom Buis was er in een reactie kort over: de FAO-baas weet niet waar hij het over heeft. Weliswaar wordt 40 procent van de maisoogst gebruikt voor bioethanol. Dat levert echt ook eiwitten, olie en vezels op die wel gewoon in de voedselindustrie van pas komen. Per saldo vergt de energietoepassing maar zo’n 16 procent van de maisproductie, geen 40. Aldus Buis.

Of dat helemaal waar is, geen idee. Maar het geeft wel aan dat de discussies over voedsel versus biobrandstof een stuk ingewikkelder zijn dan je als simpele standmens zou denken. Misschien moet je wel boer zijn om het echt te doorgronden.

Wel kun je vaststellen dat 16 procent van alle mais in de VS nog steeds iets van 50 miljoen ton is. Heel veel mais, waarmee je een hele hoop magen zou kunnen vullen. En dat dus niet doet, omdat je liever autorijdt. Heeft Graziano de Silva, agronoom uit bioethanol-land bij uitstek Brazilie, toch ook gelijk.

(Zaterdag meer in de Volkskrant/wetenschap)

Bernard Wientjes snapt het niet

De satirici van De Speld hadden het kunnen bedenken. Maar het staat er echt, op de website Science Guide: werkgeversvoorman Bernard Wientjes zegt dat hij in een nieuwe kabinetsperiode de hele wetenschap wil weghalen bij het ministerie van OCW. En het onderbrengen bij Economische Zaken, de laatste jaren trouwens EL&I geheten.

Daar, zegt de VNO-NCW-baas in het bericht, hebben ze immers wel verstand van innovatie. En bij het ministerie van Onderwijs niet.

Dat laatste is natuurlijk waar. Innovatie is geen hoofdzaak voor Onderwijs. Dat is namelijk onderwijs.

Wat mooi uitkomt, dant wetenschap ís onderwijs. Onderzoek is voor het hoger onderwijs een spin-off. Het is wat er gebeurt als je universiteiten hebt waar slimme mensen nieuwe slimme mensen opleiden. Die leer je het beste nadenken door onderzoek te doen naar wat we nog niet weten. Wat ze ontdekken noemen we wetenschap.

Dat uit dat procede geregeld dingen komen die bruikbaar zijn voor de rest van de samenleving in mooi meegenomen en vooral achteraf ook een prima rechtvaardiging voor het investeren in wetenschap. Een extra rechtvaardiging eigenlijk: want nieuwe generaties slimme mensen is waar het hoger onderwijs natuurlijk echt om draait. Die zijn veel meer waard, dan een nieuwe high-tech broodrooster.

Bij EL&I zien ze dat natuurlijk heel anders. Die willen vooral nieuwe broodroosters, made in Holland. En verkeren in de veronderstelling dat je die bij de wetenschap kunt bestellen. Dat kan inderdaad. Sterker: het is helemaal niet verkeerd om iets te willen hebben aan wat de wetenschap uitspookt.

Maar wetenschap is veel meer dan nieuwe broodroosters. Het is de belangrijkste bijzaak van goed hoger onderwijs. Niet meer en niet minder.

Het antwoord op Wientjes plannetje is dus eenvoudig. Wetenschap hoort juist bij OCW omdat ze daar meer verstand hebben van onderwijs, dan bij Economische Zaken. Laat de industrie zijn eigen broodroosters maar bedenken.

Natuurlijk staan de bladen vol troep

Het wetenschappelijke tijdschrift PLOS biedt sindskort auteurs de mogelijkheid dat hun resultaten tegen betaling worden gecheckt door een onafhankelijk lab of instituut. Dat zou een bekend probleem van de wetenschap wegnemen: de bladen staan vol met ongereproduceerde resultaten, terwijl ze validatiestudies niet spannend genoeg vinden.

Een goed idee? Ik snap er eigenlijk weinig van. Er wordt kolossaal veel wetenschappelijk gepubliceerd, en het meeste daarvan interesseert niemand ene lor. Ook collega’s niet. Niemand kijkt er ooit nog naar om.

Dat is ergerlijk, en inefficiënt. Maar kennelijk is dat hoe het gaat in de wetenschap. De bladen staan vol met ongecontroleerde halve waarheden en losse flodders. Wen er maar aan.

Relevante wetenschappelijk resultaten worden al doende echt wel geverifieerd door onderzoekers die er mee verder gaan. Kloppen die resultaten niet, dan is dat op zich een publicatie waard. Sterker: alle klaagzangen over onreproduceerbare studies zijn gelardeerd met voorbeelden waarbij de fouten juist wel zijn ontdekt en gepubliceerd. Het virus dat het Chronische Vermoeidheid Syndroom zou veroorzaken. Koude kernfusie. Allemaal bagger. In keurig gepubliceerde studies aangetoond.

Wat echt interessant is, krijgt vroeg of laat het oordeel dat het verdient. Expliciet als het niet deugt. En impliciet in alle andere gevallen. Daar verandert betaalde verificatie verder niks aan.

Peter Higgs (84) moet nog zeker een jaar doorademen

In het jongste nummer van EOS staat een prettig gesprek met de ‘andere’ bedenker van het Higgsdeeltje, theoreticus Francois Englert (80) van de Vrije Universiteit van Brussel. Samen met wijlen Robert Brout, een tot Belg genaturaliseerde Amerikaan, beschreef hij in 1964 het mechanisme van het scalaire veld dat deeltjes specifieke massa geeft. Peter Higgs had precies op dat moment hetzelfde idee, geïnspireerd overigens door de latere Nobelprijswinnaar Yoichiro Nambu. Alleen schreef hij ook nog op dat dat veld te herkennen is aan een specifiek deeltje, een zogeheten scalair boson, een ding met massa en geen spin.

Op 4 juli meldde CERN de ontdekking van een nieuw deeltje dat maar één ding kan zijn: de Higgs.

Uiteraard gaat in het in EOS ook over een Nobelprijs voor die ontdekking. Englert bekent dat hij hem graag wil hebben, in dat geval uiteraard gedeeld met collega Peter Higgs. In 2013 lijkt hem wel een goed idee. Dan weten we waarschijnlijk meer van het betreffende deeltje dan nu.

Er gaan stemmen op om niet zo lang te wachten, vooral ook omdat Higgs met zijn 84 jaar inmiddels behoorlijk breekbaar is. Dan zou het dus meteen 2012 moeten zijn. bekendmaking eerste week van oktober. Uitreiking 10 december, de sterfdag van Alfred Nobel.

Maar tenzij ze in Stockholm een noodprocedure hebben ingesteld, gaat dat niet gebeuren. Normaal krijgt een selecte groep wetenschappers en Nobel-laureaten in september van het voorgaande jaar een invitatie om mensen voor een Nobelprijs te nomineren. Die moeten in februari binnen zijn. Tot mei zijn er consultaties van deskundigen over de nominaties. In de zomer schrijft een comité een rapport over een of meer serieuze kandidaten. De rapporten worden in september ingediend, waarna in oktober de leden van de Zweedse Academie van Wetenschappen een keus maken.

Vorig jaar september was CERN nog hoog en breed op zoek naar de Higgs. In december waren er wat voorzichtige aanwijzingen, maar die waren statistisch nog niet solide, en dat was in februari (deadline) ook nog zo. Op 4 juli, toen CERN de vondst bekend maakte, was Stockholm al hoog en breed doende met een rapport over wie de Nobelprijs 2012 wel wint.

Peter Higgs, kortom, moet gewoon nog een tijdje doorademen. In elk geval tot de eerste week van oktober 2013. Desnoods krijgt hij hem dan in december postuum, net als Ralph Steinman in 2011, die een paar dagen voor de toekennig overleden bleek te zijn.

En voor alle zekerheid: Englert moet ook doorademen.

Iedere gek kan een tijdschrift beginnen

Is open-access publiceren nou wel of niet een goed idee? In principe een goed idee. Wetenschap is het delen van inzicht. Daar past open communicatie bij, dus dat wetenschappelijke publicaties voor iedereen te lezen zijn. En dus niet dat je daarvoor eerst een peperduur abonnement moet afsluiten, of per artikel afrekenen met de uitgever.

Bovendien kan het gemakkelijk anders. Zeker via internet is iedere publicatie gewoon beschikbaar te maken. Beoordelen, redigeren, publiceren kost natuurlijk geld. Maar dat kan ook gewoon door de auteurs en hun instituut worden betaald. Als er geen dure abonnementen meer zijn, houden ze per saldo misschien zelfs wel geld over.

Zo maar doen dan?

Uitgerekend in het onvolprezen wetenschapsblad/blog The Scientist beginnen de laatste tijd twijfels door te sijpelen over het nobele idee van open-access. De Amerikaanse databibliothecaris Jeffrey Beall beschreef bijvoorbeeld zijn ervaringen met piraterij op de OA-markt. Hij heeft inmiddels tientallen gevallen gezien van loze titels die niet-vermoedende wetenschappers duizenden dollars aftroggelen en er in feite niets voor leveren. Geen redactie, geen review, geen archief, geen plan voor toegankelijkheid op de lange termijn, niks.

Het wetenschappelijke uitgeven bevindt zich zo langzamerhand in een overgangsfase, en dan is chaos haast onvermijdelijk. Maar, waarschuwt Beall, de radicale voorstanders van open access moeten uitkijken dat het kind niet met het badwater wordt weggegooid. Iedere gek met een computer kan een open-access tijdschrift beginnen. Als dat het nieuwe uitgeven is, hoeft het van Beall niet echt.

Het doet allemaal erg denken aan Elschots Algemeen Wereldtijdschrift  voor  FinanciënHandelNijverheidKunsten  en  Wetenschappen, dat ondernemers een poot uitdraaide door ze te laten betalen voor een artikel over hun bedrijf in een tijdschrift waarvan ze zelf de hele oplage betaalden.

Dat was 1924 en fictie. Maar de vraag blijft wel degelijk wat het werkelijke verschil is met het gangbare uitgeefsysteem in de wetenschap, waarbij uitgevers lezers veel te veel geld vragen voor kennis die doorgaans met belastinggeld is geproduceerd.

Het lijkt me al met al vooral hoog tijd dat de erkende wetenschappelijke uitgevers als Elsevier overstappen op open-access. En dat de luidruchtige aanhangers van open-access (inmiddels staat de teller van de Elsevier-boycotters http://thecostofknowledge.com/ op meer dan twaalfduizend) ze die kans ook geven.

Wat doet Utrecht eigenlijk zo goed?

De jaarlijkse Shanghai Ranking van beste universiteiten werd woensdag zo naarstig bekeken, dat de servers ervan haperden. Waarom is me eigenlijk een raadsel. Er is namelijk geen spat veranderd in vergelijking met de ranglijst van 2011. Of van 2010. Harvard is de allerbeste. Dan komt Stanford.

En na enkele tientallen andere Angelsaksische universiteiten komt dan eindelijk Utrecht als beste Nederlandse instelling. Plaats 53. Op iets van 30 procent van de echte topscore. Leiden staat op 73. Alle anderen komen pas voorbij positie 100.

Die positie van Utrecht is natuurlijk een geschenk uit de hemel voor de instelling zelf. En aangezien Utrecht al tien jaar als beste Nederlander uit de bus komt, zal het ook wel terecht zijn. Utrecht is kennelijk goed. De ongemakkelijke vraag is alleen waarin? Waarom is Utrecht de beste van Nederland?

De Shanghai Ranking is een duivelse mix van parameters voor de kwaliteit van onderwijs, van de staf, van de output, van de instelling en per staflid. Onderwijskwaliteit wordt gemeten als het aantal Nobelprijswinnaars van de instelling, na 1991. Stafkwaliteit aan de hand van het aantal Nobelprijswinnaars of winnaars van een Fieldsmedal, en het aantal veelgeciteerde onderzoekers. De output wordt gemeten aan de hand van het aantal papers in Science en Nature, en het aantal officieel gepubliceerde papers.

Waar zit Utrecht dan zo bijzonder goed? Ze publiceren veel, maar dat doen anderen ook. Ze halen relatief veel Science en Nature, maar dat doen anderen ook. Ze worden relatief vaak geciteerd, maar dat hebben anderen ook. En eerlijk gezegd produceren ze per staflid nou net wat minder dan de anderen.

Wat maakt Utrecht dan goed? In feite komt het allemaal maar op één ding neer: recente Nobelprijswinnaars. Utrecht won in 1999 met ’t Hooft en Veltman, en in 1995 ook met Crutzen. Volgens de logica van Shanghai dragen zij kwalitatief de instelling.

Of je daar als ambitieuze student werkelijk iets aan hebt, lijkt me de vraag. Het drietal is allang met pensioen. Maar sjiek staat het zeker.

Kennisland Nederland praat zichzelf een probleem aan

Vorige maand somberde TNO een rapport bij elkaar, dat ons wegzet als een innovatievolger met veel ambities en een wat sneue toekomst. Nu is er een studie van patentorganisatie WIPO die Nederland op plaats 6 zet in de wereld ranking van innovatieve landen. Nederland is een topland. Wie heeft er gelijk?

Waarschijnlijk beide. Volgens het TNO-rapport was er sprake van een redelijke toppositie voor Nederland, maar schort het aan de voorwaarden om echte top te worden. Bijvoorbeeld omdat er onvoldoende in R&D wordt geinvesteerd. te weinig in onderwijs. En in het kweken en vasthouden van slimme mensen. Dat baart zorgen. En dus is voor TNO het glas hooguit half leeg.

Patentorganisatie WIPO liet zijn rapport net als voorgaande jaren maken door businessschool INSEAD. Dat legt zich meer toe op de context voor innovatie van landen, dan alleen op het al dan niet aanjagen ervan. Nederland scoort dan hoog, op een zesde plaats na de bekende toplanden als Zwitserland, Zweden, Singapore, Finland en de UK. Zelfs de VS komen pas verderop, op plaats 10. Vorig jaar stonden we nog op 9 in deze Global Innovation Index.

Voor INSEAD is Nederland een topland met wat aandachtspunten.

Nederland, is al met al de conclusie, is wel degelijk kei-innovatief.

Maar, zeggen velen dan meteen: onze relatieve topposities (in wetenschap, in innovatief vermogen) zijn de restanten van betere tijden. Het kan alleen maar minder worden.

Kan. Maar misschien is dat toch ook wel gewoon onnodig somber en praten we vooral onszelf een probleem aan.

Sterker: alle gesomber komt merkwaardig veel spelers in de Nederlandse innovatiesector eigenlijk wel goed uit. TNO bijvoorbeeld. Maar eerder ook de KIA-coalitie van Rinnooy-Kan, VNO-NCW, en de kennissector. Er zijn te veel mensen en instanties die er belang bij hebben dat we met zijn allen denken dat Kennisland Nederland op inklappen staat. In elk geval te veel om dat verhaal zomaar te geloven.

Na de zomer gaan we dat verhaal eens lekker fileren.

Als ik Gerrit Hiemstra was

In eerste instantie denk je dat het een grap is: horeca-uitbaters die zich beklagen over de kwaliteit van het weerbericht. Weermannen, is de bottom-line van de verbolgen betogen (gisteren nog op ons ongeëvenaarde NOS Journaal), zijn te negatief. Als er maar een kansje is op regen morgen, heet het meteen buiig. Dat schrikt mensen af van een dagje naar het strand, waar de paviljoens vervolgens met hun patat en bier blijven zitten. Terwijl het bij nader inzien eigenlijk best lekker weer blijkt.

Dat is inderdaad zuur. Maar de vraag is of dat aan Gerrit Hiemstra en de anderen ligt. Afgezien van hun rituele afsluiting van de bulletins, is hun functie er een van risicobeheersing. Ze informeren me over mogelijk onheil, wat handig kan zijn bij het nemen van besluiten. Aan weermannen die alleen maar mooi weer spelen heb je in dat verband minder dan aan eerlijke weermannen.

Wat mij betreft is er weinig heerlijker dan alle waarschuwingen ten spijt gewoon op pad gaan en nadien vaststellen dat het fantastisch weer is geworden. Maar kennelijk hebben steeds minder mensen dat gevoel voor het avontuur dat het Nederlandse weer nu eenmaal biedt.

We zijn met zijn allen een stel angsthazen geworden die de deur niet meer uit durven voor dat alle seinen op groen staan. Daar hebben de horeca-uitbaters last van. Niet van weermannen die de waarheid spreken. Hetgeen natuurlijk naadloos past in het antiwetenschappelijke sentiment dat ons inmiddels hoe dan ook overspoelt. We mijden liever het echte leven, dan dat we enig risico willen lopen.

Een jaar geleden werden Italiaanse seismologen voor de rechter gesleept omdat ze de aardbeving bij l’Aquila niet hadden aangekondigd. Binnenkort staat hier onze Gerrit Hiemstra voor de rechter omdat hij een bui heeft voorspeld die er niet kwam.

Gerrit kan het kortom nooit goed doen. Altijd mooi weer spelen, kost hem de kop als het slecht blijkt. En altijd somberen is ook dus niet goed.

Als ik Gerrit Hiemstra was, ging ik met pensioen. Dan kijken wij in het vervolg wel op Buienradar. Trouwens hoe dan ook een beter idee, als je er onverhoopt uit moet.

Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 1.574 andere volgers