Parapsychologie? Ook maar een mening

Vandaag krijg ik ongetwijfeld de vraag of ik het zelf geloof: dat de experimenten van de Amerikaanse psycholoog Daryl J. Bem aantonen dat toekomstige gebeurtenissen of omstandigheden het heden bepalen? Bem publiceerde een jaar geleden negen studies die dat volgens hem aantonen.

Ik sprak de Amsterdamse bewustzijnsonderzoeker Dick Bierman erover, voor de krant van heden. Hij gelooft niks, maar wil de proeven van Bem graag overdoen.

Dat lijkt me een nuttig idee, ook al publiceerde de Britse psycholoog Richard Wiseman vorige maand al een herhaling van drie proeven, die allemaal niks opleverden. In elk geval geen bevestiging van Bems uitkomsten.

Het paranormale. Het is vreemde materie om mee bezig te zijn, als wetenschapsjournalist. Je bent geneigd er geen bal van te geloven, wat er ook wordt beweerd. Maar die beweringen zijn soms wel intrigerend. Zie dan maar eens niet de indruk te wekken, dat je je hebt laten inpakken.

Bellen dus.

En goddank is er statisticus Eric-Jan Wagenmaker van de Universiteit van Amsterdam. Vorig jaar ging hij Bem al te lijf over dienst bewering dat hij statistisch significante bewijzen had voor het voorvoelen van de toekomst. Bem gebruikt volgens Wagenmaker een zwakke plek in de standaard statistiek om te beweren dat er meer is tussen hemel en aarde. Sterker, volgens Wagenmaker, doen alle parapsychologen dat. En zelfs medicijnenonderzoekers trappen vaak in de val, wat in dat geval nog bakken geld kan kosten ook.

Volgens Wagenmaker deed Bem net zo lang experimenten tot hij iets opmerkelijks kon melden. Vissen naar afwijkingen mag natuurlijk, zo ontdek je interessante verschijnselen. Maar daarna gaat het mis. Bem gebruikt dezelfde data om vast te stellen dat de boel significant van het toeval afwijkt. Dat mag niet, vindt de Amsterdamse statisticus.

Hij zweer bij zogeheten Bayesiaanse statistiek. En die zegt dat de meeste paranormale verschijnselen verdampen zodra je er systematisch naar gaat kijken. Omdat ze namelijk toevallige uitschieters zijn, en niks echts.

Hoe leg je dat uit? Stel je hebt een munt. Die gooi je duizend keer op. In 527 beurten is het kop. Is dit een normale munt of is hij geprepareerd? Klassieke statistiek rekent voor dat 527 maal kop gooien haast geen toeval kan zijn, de kans daarop is minder dan 5 procent. En 5 procent is de afgesproken grens. De munt is dus geprepareerd. In het geval van Bem: dat proefpersonen 53.1 procent van de gevallen iets goed raden is meer dan toeval alleen.

Bayesianen zien dat anders. Zij vragen zich af of 527 keer kop gooien met een eerlijke munt waarschijnlijker is dan met een oneerlijke munt. Ook dat laat zich berekenen, mits je definieert hoe oneerlijk de munt dan is.

Het blijkt waarschijnlijker dat de munt geprepareerd is, dan niet. Maar de kans bestaat ook dat het een doodnormale munt is, en die kans is doorgaans niet klein. Zeker als het om kleine effecten gaat.

Weer vertaald naar Bem: het kan heel goed toeval zijn dat zijn proefpersonen zo vaak (tot wel 53.1 procent in plaats van 50/50) goed raden wat er komen gaat. Het devies is daarom: herhalen, tot je een ons weegt. En dan nog eens.

Statistiek, het blijft een gruwel als je het wilt uitleggen. Nuttig om te onthouden is daarom vooral de regel dat statistisch significant in feite ook maar een mening is. Net als parapsychologie, eigenlijk.

Advertenties

Arme wetenschap

Tijd voor conclusies. Wat is wetenschap waard, was de vraag, een week of vier geleden. Geen idee, is een goed antwoord, want op ieder sommetje is veel af te dingen. Volgens sommige economen levert iedere geinvesteerde euro het dubbele op voor de economie. Volgens anderen anderhalf keer zoveel. Of tien. Maar niemand die het echt weet.

Wat is de wetenschap waard? Kennelijk wat we er nu aan uitgeven, is een ander goed, maar wellicht iets te gemakkelijk antwoord: iets van 10 miljard per jaar of krap 2 procent van ons bruto nationaal product. En wat levert dat dan op? Een bovengemiddeld goed opgeleide beroepsbevolking. Wetenschappelijk aanzien, op internationaal heel behoorlijk gewaardeerde universiteiten. Geen echte top. Maar we kunnen aardig meekomen.

Wat levert het niet op? Opvallend genoeg: spraakmakende innovatie. Het laatste echte succes is ASML, een wereldleider in chipmachines. Absolute high-tech, made in Nederland. Maar dat is een spin-off van Philips, dat zijn R&D verder afbouwde. Net als de rest van de industrie. Nederland is internationaal hooguit een innovatievolger. Terwijl innovatie de motor van de economie hoort te zijn.

Hoe komt dat? Om te beginnen investeert Nederland aanmerkelijk minder in wetenschap dan echte innovatieleiders. Daarnaast ontbreekt het ook aan gretigheid in de industrie en het midden- en kleinbedrijf. Sinds de jaren tachtig en negentig beschouwen we onszelf liever als een echte diensteneconomie. Daarvoor is wetenschap niet zo interessant. Boekhouders en managers, dat is wat we willen.

De wetenschap is sindsdien aan zijn lot overgelaten. Door het bedrijfsleven. Maar ook door de overheid. Sinds de jaren tachtig is de financiering van het hoger onderwijs gehalveerd, terwijl het aantal studenten verdubbelde. de wetenschap moet het doen met een kwart van wat het ooit was. De wetenschap heeft zich opgesloten en vermaakt zichzelf wel.

Hoe gaat het dan met die Nederlandse wetenschap? Krankzinnig veel beter dan je zou denken. Nederlandse onderzoekers publiceren meer en meer gewaardeerd dan in talloze andere landen. Het systeem is ondergefinancierd en uitgeknepen. Maar we houden hardnekkig stand. Binnen de wetenschap, die boos is en verongelijkt. En bokkig reageert op de signalen dat de samenleving wetenschap wel degelijk nodig heeft.

Blijft dat zo? Dat is de vraag. De Nederlandse wetenschap maakt een uitgewrongen maar trotse indruk. En slim als zij is, heeft het de mogelijkheden benut die zich aandienden. Er gaat steeds meer Europees geld naar de Nederlandse onderzoekers, die internationaal tot de behendigste subsidiewervers zijn gaan behoren. Nederlands onderzoek is bovendien meer dan gemiddeld aangehaakt bij toponderzoek elders. Daardoor scoren onze onderzoekers op citatielijsten nog steeds geweldig.

Hooguit zijn ze steeds minder de eerste en dus meer prominente auteurs. Wij doen mee. Met anderen. Zolang als het duurt, zeggen cynici.

Wordt het dan dus toch allemaal minder? Het kan haast niet waar zijn dat de Nederlandse wetenschap overeind blijft met steeds minder financiering. En al helemaal niet als elders in Europa en de rest van de wereld er juist veel meer geld in wetenschap en onderzoek wordt gestoken, als investering in de welvaart van de toekomst.

Wat dat betreft is het succes van de Nederlandse wetenschap eerder een handicap dan een geluk. Het lijkt er voor de politiek gemakkelijk op dat het echt nog wel wat kan lijden. Sterker: wetenschappers en universiteiten durven er niet eens voluit over te klagen, omdat dat vooral uit eigenbelang lijkt.

De kloof tussen wetenschap en samenleving is zo breed geworden, dat ze elkaars signalen niet meer goed verstaan.

Een groot probleem bij dit alles, merkte deze week nog een van mijn gesprekspartners op, is dat we eigenlijk geen actuele cijfers hebben over de stand van de Nederlandse wetenschap. Statistieken over productie en waardering zijn vijf, zes jaar oud, anderhalf of zelfs twee kabinetten geleden.

Kortom? Kortom: arme wetenschap, in twee opzichten. Ondergefinancierd. En deerniswekkend overvraagd. Maar dat is de wetenschap maar, een sector als zovele. De melkveehouders. De automobielbranche. Kinderdagverblijven.

De echte tragiek is dat Nederland zichzelf wijsmaakt dat diezelfde wetenschap ons er bovenop gaat helpen. Een mooie droom, zeker. Wakker worden lijkt verstandiger. Hoe, dat is de vraag die we de komende tijd verder in de krant gaan behandelen.

Voor het geld moet je in Canada wezen

Ik weet niet of het tegenwoordig misschien anders is, maar academici praten naar mijn idee niet over geld. Ze klagen natuurlijk steen en been waar het gaat om de financiering van projecten, spullen en mensen. Maar over hun eigen salaris hoor je ze zelden.

Gelukkig zijn er wel statistieken, en vorige week had het Times Higher Education Supplement de hand gelegd op een internationale vergelijking van academische inkomens.

Ranglijstjes, daar zij ze bij het THES dol op. En dus lazen we dat een universitair docent of hoogleraar in Canada het meeste van alle academici in 28 landen verdient. Mind you: wel geindexeerd naar de levensstandaard.

Dat laatste maakt de uitkomsten al meteen discutabel, lijkt me. Maar het lijstje is niettemin te aardig om niet te vermelden. Na de Canadezen zien we de Italianen, Zuid-Afrikanen, India, Amerika, Saoedi-Arabie, Engeland en Australie. En dan op de negende plaats ook Nederland. Volgens de rekenmeesters van de studie (Russen en economen uit Boston, op aangeven van beleidsonderzoeker Ben Jongbloed in Twente) is het gemiddelde en geindexeerde inkomen hier 5313 dollar bruto per maand. Nog net in de top-10, die door de Duitsers wordt afgesloten.

Volgens een van de opstellers van de studie, aan het woord in THES, is de hoofdboodschap van het rapport dat academici over de brede linie stevig minder verdienen aan universiteiten, dan elders in de samenleving. En dat de wetenschap daardoor geen talent meer trekt.

Dat laatste staat nergens in het rapport. En vooral de reacties onder het interview met deze Philip Altbach uit Boston, geven de burger misschien zelfs wel moed. Universiteiten, is daar de teneur, bieden juist prachtige kansen en omstandigheden. Alleen al de vrijheid, kom daar elders eens om.

En als je daarvoor naar eigen idee te weinig wordt betaald, kun je van nu af aan zien waar je heen moet: een universiteit in Canada dus. Of wie er lekker weer bij wil: in Italië of Zuid-Afrika.

Of gewoon nuchter vaststellen dat we in Nederland op de universiteit toch niet echt honger lijden, ondanks alles.

Wetenschap is niet (altijd) leuk

Investeren in vrije wetenschap is, laat ik het mild uitdrukken, momenteel niet het sterkste punt van de Staat der Nederlanden. Gisteren sprak ik een nu even niet nader te noemen wetenschapsbestuurder over de vraag waarom eigenlijk. Wat is er misgegaan? Waarom steken andere landen in Europa en elders smakken geld in onderzoek? En waarom gebeurt dat hier nou net niet?

Hij had een interessante hypothese. De wetenschap heeft in Nederland het imago van een lollige hobby gekregen. Bij het grote publiek. Maar vooral bij beleidsmakers en politiek.

Dat ging ongeveer zo. In de jaren zeventig en tachtig is Nederland een flink deel van zijn maakindustrie kwijt geraakt. Dat was een crisisverschijnsel, maar we hebben er als Nederlanders heel behendig een nieuw zelfbeeld bij geconstrueerd. Nederland, zo hebben we onszelf wijsgemaakt, is een diensteneconomie. Een handelsnatie, immers.

In de oude maakindustrie waren er vanzelfsprekende banden tussen wetenschap en industrie. Niet alleen hadden industrieen eigen researchlaboratoria en wetenschappers in dienst. Ook aan de universiteiten was het doodnormaal om mensen in de industrie te kennen. Nut was geen smerig woord.

Toen we bedachten dat Nederland een diensteneconomie was geworden, zijn wetenschap en industrie elk huns weegs gegaan. De industrie deed gaandeweg geen research meer. Dat was immers geen core business. En de wetenschap sloot zich op in de universiteiten en instituten, waar zij vervolgens van ’s rijkswege ook nog eens alleen op wetenschappelijke kwaliteit werd afgerekend.

Wetenschap om de wetenschap. Een hobby dus, waarover je in talkshows en kranten enthousiast of gewichtig kon doen. Maar het hedendaagse politieke klimaat is niet zo van de hobby’s. Linkse hobby’s zijn uit. Kunst en cultuur zijn uit. En inmiddels dus ook de wetenschap.

Wat dat betreft is het topsectorenbeleid van het huidige kabinet misschien niet eens zo onverstandig, zei de bestuurder ook. Als signaal: komen jullie weer buiten spelen?

Maar in de uitvoering voelt het erg alsof de wetenschap onder curatele wordt gesteld. En dan nog van partijen die vaak zelf helemaal niet zo goed weten wat ze met al die wetenschap moeten.

Het wachten is kortom op een verhaal dat wetenschap soms misschien niet eens zo leuk is, maar wel hartstikke nuttig. In talloze opzichten.

En dan zonder verongelijkt gezicht erbij.

Huh, waar is dat Stapel-artikel nou?

Begin 2011 publiceerde de Tilburgse sociaal psycholoog Diederik Stapel een artikel dat zomaar hoogtepunt in zijn carriere had kunnen worden. Zo vaak halen Nederlandse onderzoekers immers het tijdschrift Science niet, en al helemaal niet als ze geen beta’s zijn. Met Science op je publicatielijst wil je wel aankomen.

De studie van Stapel en de Groningse collega socioloog Siegwart Lindenberg toonde aan dat rommel op straat leidt tot een racistische houding van het publiek en denken in stereotypen. Merkwaardig. Maar als dat zo is, kun je sociaal met wat extra straatvegers kennelijk meer bereiken dan alleen een schone stoep.

Het enige probleem, zoals bekend, is dat Stapel de data waarop de studie was gebaseerd, uit zijn duim had gezogen. Gisteren rapporteerde eindelijk de commissie Levelt over de status van 20 van Stapels publicaties. Twaalf daarvan zijn troep, gebaseerd op verzonnen gegevens. Fraude. Misschien wel de grootste ooit.

Er is al heel veel gezegd en geschreven over Stapel, zijn motieven, zijn handelwijze, het gebrek aan controle door zijn collega’s.  In een reactie in de Volkskrant zegt de Amsterdamse psycholoog Paul van Lange dat een geluk bij een ongeluk is, dat de verzinsels van Stapel relatief nieuw zijn. Daardoor is de wetenschappelijke invloed nog niet zo groot.

Dat lijkt me eerlijk gezegd flauwekul. Ten eerste deed Pim Levelt onderzoek naar publicaties uit Stapels recente Tilburgse praktijk. Wat er daarvoor gebeurde, in Amsterdam en Groningen, wordt nog uitgezocht. Ten tweede is de invloed van artikelen, als ze iets om het lijf hebben, doorgaans juist in de eerste jaren na publicatie het grootste.

Ik probeerde het artikel van Lindenberg en Stapel er nog eens even bij te pakken. Gewoon, om te zien of we er destijds als media misschien zelf al iets raars aan hadden kunnen zien.

Maar het artikel staat bijvoorbeeld niet (meer) op de verder ellenlange online publicatielijst van Lindenberg. Dat is natuurlijk om te voorkomen dat er alsnog aan wordt gerefereerd. Maar het is ook vreemd. Niet alleen de fraude wordt zo weggepoetst. Ook de fraudezaak verdwijnt ermee uit beeld.

Het zou echt netter zijn, als het wel op de lijst staat en voor iedereen te lezen is, met in grote rode letters RETRACTED erboven en een naschrift over Stapels wangedrag. Niet fijn voor Lindenberg. Wel zo zuiver voor de wetenschap.

Geen goed idee: uit bedelen in Europa

Na afloop van een radioprogramma trof ik aan de bar aardwetenschapper Sierd Cloetingh van de KNAW en de Universiteit Utrecht. We dronken een biertje en bespraken de toestand in de Nederlandse wetenschappen. Het is, zei hij, voor de Nederlandse wetenschap een godsgeschenk dat Europa bestaat.

Zonder Brussel, bedoelde hij, zou de desinvestering van de Nederlandse staat in de wetenschap namelijk allang pijnlijk duidelijk zijn geweest. Nederlanders zijn geweldig goed. In wetenschap, maar ook in het vinden van Europees geld voor hun projecten. Langer dan in veel andere landen moeten ze hier al concurreren om de schaarse middelen. Dan leer je wel hoe je dat doet: voorstellen schrijven die een kans maken.

Cloetingh kan het weten. Hij zit, met nog pakweg twintig Europese toponderzoekers, in de bestuursraad van de European Research Council. Deze ERC is een instelling die tientallen miljarden te verdelen heeft voor uitmuntende onderzoekers.

Afgaande op de statistieken, heeft de ERC de Nederlanders tot nog toe inderdaad geen windeieren gelegd. Van 2007 tot en met 2010 kregen Nederlandse onderzoekers en bedrijven zo’n 1,6 miljard euro uit het Europese kaderprogramma. Per jaar is dat iets van 400 miljoen euro. Niet niks op een totale Nederlandse onderzoeksuitgave van ongeveer 10 miljard per jaar.

Dat is, benadrukken verheugde beleidsmakers, ook bijna 7 procent uit de pot en dus duidelijk meer dan de 5 procent die we aan het budget bijdragen. Nederland wint bij Europa, in elk geval op het gebied van uitstekende wetenschap. Bijna 180 Nederlandse toponderzoekers leven en werken er inmiddels van.

Voor het nieuwe EU-kaderprogramma Horizon2020 is een budget voorgesteld van 80 miljard euro, in te gaan in 2014.

Mooi, zou je denken. Maar Cloeting was somberder dan ik had gedacht. Veel landen, zei hij, investeren juist in deze duistere economische tijden in wetenschap. Voor de lange termijn. Eigenlijk is Nederland het enige serieuze EU-land dat netto snijdt in de wetenschap. Dit kabinet iets van 10 procent. En Nederlandse bedrijven hebben de interesse in wetenschap al langer goeddeels opgegeven.

Dat is een totaal verkeerd signaal, vond Cloetingh. Als je als EU-land in Brussel ook maar even de indruk wekt dat je vooral komt bedelen, ben je gezien. Dat heeft Nederland als serieus wetenschapsland gewoon afgedaan.

En vergis je niet, zei hij ook: zoiets is zo gebeurd. Nederland is een piepklein landje. Hoeveel onderzoekers hebben we het over? Duizenden, hooguit. Geef daar een paar goeie mensen geen kansen en hun hele vak verdwijnt.

Het stond daar aan de bar allemaal tamelijk haaks op de geluiden van bijvoorbeeld staatssecretaris Halbe Zijlstra die onlangs nog liet weten helemaal blij te zijn met de Europese vrijgevigheid. En geen verslaggever die hem vroeg of dat niet een totaal zwaktebod is: de wetenschap elders uit bedelen sturen.

Misschien moet ik het hem zelf maar eens vragen, binnenkort.

Zijn onze ingenieurs slechter dan elders?

Op zoek naar cijfers over het aandeel Europees geld in de Nederlandse R&D kwam ik wat andere cijfers tegen die tot nadenken stemden. Europa komt dus nog, maar wat later.

Net geen 40 procent van alle wetenschappelijke publicaties in Nederland vallen in de exacte vakken, als we techniek en medisch/gezondheid even apart houden. Techniek is ongeveer 5 procent.

Nederland is in Europa hekkensluiter met het aandeel exacte publicaties. Frankrijk gaat op kop met 55 procent exact, gevolgd door Duitsland (52) en Oostenrijk (51). Finland, Zweden en Belgie zitten in die volgorde rond de 45 procent.

In waardering is dat anders, zag ik (grafiek) op het onvolprezen blog van Nicolau Werneck. Nederland scoort wetenschappelijk gezien aanzienlijk beter dan de meest exacte landen: Frankrijk, Duitsland, Oostenrijk. We kunnen dus vaststellen dat een handjevol Nederlandse natuurwetenschappers het aanzien van de Nederlandse wetenschap hoog houdt. Dat blijkt ook in de impactcijfers per vakgebied in Nederland. Daar staan de exacte publicaties bovengemiddeld bovenaan.

Prima allemaal, voor de zuivere wetenschap. Maar wat heb je eraan? Wat bijvoorbeeld gek is: de Nederlandse exacte wetenschap scoort ongeveer even goed als die in de landen die volgens de EU de echte innovatielanden zijn: Zweden, Denemarken of Zwitserland. Waarom, wordt weer de vraag, is Nederland dan slechts een innovatievolger?

Omdat natuurwetenschappers zich te veel op de zuivere wetenschap richten? Kan.

Maar misschien is het wel allemaal de schuld van onze ingenieurs. Het aandeel technische publicaties in Nederland ligt ongeveer op 5 procent. Behalve in Frankrijk (10 procent) geldt dat overigens voor ongeveer alle Europese landen. Maar de impactfactor van technische publicaties is in Nederland de laagste van alle vakgebieden (goed, op economie na dan).

Hebben we in Nederland slechtere ingenieurs dan elders? Of hebben ze wel wat beters te doen dan publiceren? Zo ja, wat dan, als ze ook niet de motor voor sprankelende innovatie zijn? Later deze week reis ik naar Eindhoven. Voor antwoorden.

RCIs_500.png

Wie gelooft James Cameron?

Filmmaker James Cameron is weer boven water nadat hij met een duikboot tot 11 kilometer diep in de Marianentrog was afgedaald. Zegt hij. Maar waarom zouden we hem eigenlijk geloven?

Niet dat hij de afdaling, drie uur staan in een verticale cylinder naar beneden en daarna weer een dik uur omhoog, zal hebben verzonnen. Dat zal wel waar zijn. Probleem is meer wat hij mee naar boven brengt. Meetgegevens over zoutgehaltes en temperatuur. Watermonsters. Maar ook filmbeelden. In 3D zelfs.

Cameron maakte in het verleden met weinig meer dan bordkarton en een fikse computer kaskrakers als TitanicThe Abyss en Avatar. Prachtige illusies. Maar toch vooral heerlijk special effects, en zeker geen realiteit. Dat maakt het er niet makkelijker op, om hem over zijn laatste avontuur, samen met National Geographic, zomaar op zijn woord te geloven.

Jim heeft daar in de inktzwarte duisternis in de diepzee ongetwijfeld dingen in zijn schijnwerpers zien bewegen, die elk voorstellingsvermogen te boven gaan. Binnenkort horen we daar meer over, uiteraard via National Geographic.

Maar we spreken af: als hij daarvan beelden gaat laten zien, haken we af. Dat Hollywood wetenschap misbruikt voor fantastische verzinsels, is allemaal best. Maar ze moeten niet aan echte wetenschap gaan doen. De scheidslijn tussen feiten en fictie is daarvoor inmiddels veel te kwetsbaar.

Einstein is van ons allemaal, hoor

De hele week is het al nieuws: de Hebreeuwse Universiteit in Jerusalem heeft het Einstein Archief online opengesteld. Er zijn dik 80 duizend documenten te bekijken. En er is een gallery, met topstukken die het leven en werk van de Grote Natuurkundige illustreren.

Nu heb ik me altijd al verbaasd dat er kennelijk zo krankzinnig veel bewaard kan blijven over een mensenleven, hoe interessant en belangrijk ook. Geen kattenbelletje aan de krantenjongen of het is bewaard, gearchiveerd, ingescand, en bestudeerd. Alsof het religieuze betekenis heeft. En alsof Einstein en de zijnen dat destijds ook sl vonden.

Kennelijk leent de historische figuur Einstein zich daar ook geweldig goed voor. Alleen kan het natuurlijk ook te ver gaan.

Met de openstelling door de Hebreeuwse Universiteit is namelijk ook iets ongemakkelijks aan de hand. In de eerste plaats is het Einstein archief in feite al jaren openbaar en online te raadplegen. Niet heel makkelijk te doorzoeken, en zeker niet volledig ingescand. Maar dat is het ook nu nog niet.

Nieuw is eigenlijk alleen de gallery met topstukken. Een uitstalkast van prachtig materiaal, zeker. Einsteins reisdagboekje in de VS uit 1930. Het beroemde Berlijnse aantekenboek, waarin hij zichtbaar worstelt met de zwaartekracht, vol doorgehaalde mathematische afleidingen. En het manuscript met E=mc2, dat overigens geen origineel is, maar een kopie die Einstein in de oorlog maakte om geld in te zamelen. Heerlijk, voor liefhebbers en historici.

Maar in dezelfde etalage staat ook een hele afdeling met stukken over de oprichting van de Hebreewse Universiteit, en Einsteins rol daarbij. En een afdeling met Einsteins toespraken en teksten over het zionisme. Daar zijn vast goede redenen voor, bijvoorbeeld dat Einstein zijn archief naliet aan de universiteit en dat ze daar enorm hun best doen om het te bewaren en openbaren.

Het zal allemaal niet zo inhalig bedoeld zijn. Maar zoals het nu gebeurt is het allemaal net wat te veel een publiciteitsstunt uit Jerusalem. Nogmaals dank voor het bewaren, maar Einstein is van ons allemaal. En alleen zijn werk is natuurlijk echt van belang. Inclusief de doorhalingen, die nou net van de halfgod Einstein weer een gewoon mens maken.

Wordt het Higgsdeeltje een SM-deeltje?

Stel dat CERN het komende jaar het Higgsdeeltje aantoont. Wie moet er dan een Nobelprijs voor krijgen? Het lijkt een premature vraag, eerst zien en dan geloven. Maar in werkelijkheid maken fysici zich er al behoorlijk druk over, lees ik in Nature.

Terwijl het antwoord voor de hand lijkt te liggen. Een paar experimentatoren of groepsleiders die de LHC versneller hebben gebouwd en de ATLAS en CMS detectoren. Maar daarnaast zou ook de theoreticus niet misstaan die het Higgsdeeltje heeft voorspeld.

En daar zit hem de crux. Het Higgs-deeltje is weliswaar vernoemd naar de Schotse theoreticus Peter Higgs. Hij was het die in 1964 een veld bedacht dat deeltjes meer of minder hindert en ze dus een effectieve massa geeft. En dus moet Peter Higgs een Nobelprijs.

Dat wordt trouwens opschieten, want echt piep was de Schot een paar jaar geleden bij een bezoek aan Nikhef al niet meer.

Maar tegelijk is er nog een hele reeks andere namen verbonden aan de uitwerking van Higgs betrekkelijk ruwe idee uit 1964. Brout en Englert, die er zelfs wat eerder over publiceerden dan Higgs zelf. En Kibble, Guralnik en Hagen, die kort daarna het eerste echte complete verhaal leverden.

Het schijnt dat een van Higgs leerlingen, de Koreaan Lee, eind jaren zestig het deeltje dat met het massaveld is geassocieerd, voor het gemak het Higgsdeeltje ging noemen. Die naam is blijven plakken, en de theorie leek zo esotherisch dat niemand zich er werkelijk druk om maakte.

Nu nadert echter een historische ontdekking, en wordt alles anders.

In 2010 was er al eens knallende ruzie omdat de laatste drie niet op een poster voor een deeltjeconferentie waren genoemd en de eerste drie wel. En om eregast Englert niet voor het hoofd te stoten, heette het Higgs-deeltje onlangs op een deeltjesconferentie in Italie opeens het BEH-deeltje.

Inmiddels spreken puristen voor de zekerheid al van het SM-scalar boson, waarbij SM staat voor het standaard model van de deeltjesfycica.

Nature waarschuwt terecht dat je in de marketing een goed merk nooit moet vervangen. Niemand in het grote publiek mag dan echt begrijpen wat een Higgsdeeltje is, de naam staat tenminste als een huis. Geen mens zal BEH-boson onthouden.

En SM-deeltje klinkt natuurlijk naar ranzige martelkelders. Een betrekkelijk rake typering van CERN misschien. Maar publicitair een probleem dat de zuivere wetenschap zich dezer dagen niet kan permitteren.