Kwaliteit? Handige bestuurders moet je hebben

Leuk hoor, het nieuws dat de universiteiten in de periode sinds 1999 zo’n 120 procent meer inkomsten van derden weten binnen te halen. Destijds was dat 711 miljoen euro per jaar. Nu (boekjaar 2009 althans) is dat 1564 miljoen. Aldus het Rathenau Instituut in een opfrisrapport over de Nederlandse universiteiten. Bedrijven dragen daaraan ruwweg een kwart bij, net als de non-proficsector. Eenzesde komt van het buitenland, lees EU. Verreweg de grootste externe geldschieter voor onderzoek is de overheid.

Maar is de ruime verdubbeling van extern geld voor onderzoek nou goed of slecht nieuws voor de Nederlandse wetenschap? Geen idee, eigenlijk. Maar dat het de boel bij de universiteiten flinkt opschuwd, blijkt elders in hetzelfde rapport. Daar gaat het even over de zogeheten ‘werfkracht’ van instellingen.

De werfkracht van een universiteit wordt gemeten door het geld voor goed onderzoek (via NWO en KNAW) af te zetten tegen de inkomsten via externe geldschieters (derde geldstroom). Alles bij elkaar levert dat een fascinerende plattegrond op waarin af te lezen is hoe aantrekkelijk iedere universiteit kennelijk is voro de uiteenlopende geldschieters.

Wie rechtsboven staat, heet ondernemend. Wie linksonder staat, heet onderwijzend.

Rathenau vergelijkt de wervingskracht van de universiteiten van 2001 met die van 2010, en er is eerlijk gezegd geen peil te trekken op alle verschuivingen. In 2001 was Wageningen de meest ondernemende universiteit. Nu zijn dat Leiden, Nijmegen en Eindhoven. Maastricht bleven vooral onderwijzende instellingen. En Delft scoort opeens veel beter in de geldstroom. Wageningen veel slechter in de tweede geldstroom.

Is er een gemeenschappelijke deler? Eigenlijk niet, zegt Rathenau ook zelf. Er is, staat letterlijk in het rapport, geen correlatie met de kwaliteit van het onderzoek. Zowel heel wervende universiteiten als heel onderwijzende kunnen wetenschappelijk zowel heel goed zijn, als heel matig.

Wetenschappelijke kwaliteit is kennelijk helemaal geen factor bij het binnenhalen van vermogende partners. Handige bestuurders wel, heb ik zomaar het vermoeden. Of slagvaardig misschien wel.

Advertenties

Boek (bis): kwelgeest neutrino

Italianen hebben iets met neutrino’s, stelt de Britse natuurkundige Frank Close (Oxford/CERN) vast in zijn boekje Neutrino. Nadat James Chadwick in 1914 ontdekte dat elektronen die ontstaan bij radioactief verval nooit precies dezelfde energie hebben, was het in 1934 de grote Enrico Fermi in Rome die bedacht waarom: bij het verval is ongezien nog een derde deeltje betrokken. Een spook. Zonder veel eigenschappen, elektrisch neutraal, zonder massa of hooguit heel licht. Buitengewoon lastig waar te nemen, maar essentieel voor de balans van alle kernreacties.

Mooi idee, maar daarna gaat er iets mis. Nature vindt Fermi’s hypothese veel te speculatief en wijst zijn artikel erover af voor publicatie. Het verschijnt in het Italiaans, maar raakt eigenlijk in de vergetelheid, omdat het een voetnoot wordt bij de (vooral in de VS) snel opbloeiende kernfysica. Bruno Pontecorvo, een leerling van Fermi, bedenkt hoe je neutrino’s eventueel wél kunt meten, met chlooratomen, maar hij verdwijnt spoorloos, naar decennia later blijkt omdat hij in de Sovjet-Unie woont en werkt.

Pas in de jaren zestig bouwt de eigenwijze Amerikaan Ray Davis in een goudmijn een eerste detector voor neutrino’s van de zon, gebaseerd op een grote tank chloorhoudend schoonmaakmiddel. Hij ziet de eerste zonneneutrino’s, maar dat blijken er veel minder dan verwacht. Tot in de jaren tachtig is dat een raadsel, tot een oude theorie van – alweer – Pontecorvo uitkomst blijkt te bieden: de neutrino’s zijn er in drie verschillende types en wisselen voortdurend van identiteit. Wie een detector bouwt voor een van drieën, mist dus een deel van de passerende horde spookdeeltjes.

Al met al schetst Close een beeld van het neutrino als kwelgeest van de natuurkunde: moeilijk te meten en nog moeilijker te begrijpen. Dat is ook het beeld van de neutrino-astronomie van het laatste decennium, met enorme detectoren in het ijs van de Zuidpool en de diepten van de Middellandse zee en het Bajkalmeer. Die  meten nu en dan iets, maar worstelen ook zichtbaar.

Afgelopen najaar waren het opnieuw Italianen die wereldnieuws waren met neutrino’s. Het Opera-experiment in Gran Sasso meende neutrino’s uit CERN sneller te zien aankomen dan licht. Fysici waren sceptisch, de media smulden, vooral toen bleek dat een losse kabel de opmerkelijke meting verklaarde. Een blamage die de indruk wekte dat de Italianen een stel prutsers zijn.

Ten onrechte, zo bewijst bijvoorbeeld het verhaal van de neutrino, van Fermi tot Pontecorvo.

Neutrino, vooral geschikt voor de liefhebber, is van 2010 en rept dus met geen woord over de Opera-affaire. Dat kan gebeuren, maar een voetnoot van de vertaler over de zaak was wel op zijn plaats geweest.

 

Boek: schizofrene spookdeeltjes

Soms heb je geen tijd om een korte recensie te schrijven. Dan maar lang.

Vorig najaar meldden Italiaanse fysici dat ze in hun OPERA-experiment bepaalde deeltjes sneller zagen bewegen dan licht. Dat is in tegenspraak met Einsteins de relativiteitstheorie en dus opwindend nieuws dat wereldwijd de media haalde. Het woord neutrino’s lag een paar weken lang op straat, en grappen over tijdverschillen waren niet van de lucht.

Een paar maanden later verging de onderzoekers van OPERA het lachen, toen bleek dat een losse kabel de oorzaak was geweest van de aanvankelijk zo verrassende snelheidsmetingen. De hype werd een afgang. Er rolden koppen.

Het pijnlijke incident komt niet voor in Neutrino van de Britse fysicus Frank Close. Dat boekje is van 2010 en in de nieuwe vertaling is de kwestie niet alsnog toegevoegd. Maar het zou koren op de molen van Close zijn geweest. Geen lastiger deeltje, is zijn stelling, dan het neutrino, dat menig wetenschapper bijna letterlijk tot wanhoop heeft gedreven. En ook markant: het zijn bovengemiddeld veel Italianen die worstelen met het neutrino.

Dat begint al bij de ontdekking. In 1914 ontdekt James Chadwick dat elektronen die vrijkomen bij radioactief verval, nooit precies dezelfde energie hebben. Pas in 1934 doorgrondt Erico Fermi, een van de vaders van de kernfysica, wat er aan de hand is: er is een derde deeltje in het spel, haast zonder eigenschappen en met geen of heel weinig massa. Nature weigerde parmantig zijn artikel, omdat het ‘te speculatief’ zou zijn. Het verschijnt in het Italiaans in een Italiaans tijdschrift dat niemand leest.

Dat is een van de redenen, denkt Close, dat enerzijds Italianen altijd iets hebben gehouden met neutrino’s en anderzijds dat de natuurkunde van het neutrino met veel vallen en opstaan tot wasdom is gekomen. Neutrino is het verhaal van min of meer losse inzichten en ontdekkingen, die op veel momenten ook hopeloos langs elkaar heen gaan.

De belangrijkste reden daarvoor blijft echter de ongrijpbaarheid van het deeltjes zelf. Bij alle kernreacties in alle sterren in het heelal, in alle radioactief verval en bij alle botsingen van kosmische straling in de atmosfeer worden ze gecreëerd. Maar vervolgens gaan ze haast nooit interacties aan met andere materie. Ook wijzelf bevinden ons in een permanente storm van neutrino’s, maar we merken er nooit iets van. En omgekeerd: neutrino’s merken ook niks van ons.

Dat maakt meetwerk aan hun eigenschappen tot een experimentele bezoeking. Het was de Amerikaan Ray Davies die in de jaren vijftig in een oude zoutmijn in Utah een enorme tank chloorhoudend schoonmaakmiddel installeerde en speurde naar lichtflitsen die de zeldzame inslaande neutrino’s van de zon konder verraden. Het idee daarvoor was al veel eerder door een van Close’s helden geopperd: Bruno Pontecorvo, die in de Koude Oorlog verdween en decennia later in de Sovjet-Unie bleek te leven en werken. Davies kreeg op hoge leeftijd een Nobelprijs. Pontecorvo nooit.

Metingen van de neutrino’s van de zon bleken mogelijk, later ook met andere ondergrondse detectoren in Europa en Rusland. Maar die brachten ook een merkwaardig probleem aan het licht: er kwamen grofweg half zoveel spookdeeltjes van de zon als verwacht. De oplossing voor dat raadsel blijkt vervolgens dertig jaar eerder al te zijn bedacht: neutrino’s zijn in wezen volkomen schizofreen. Ze bestaan in drie uiteenlopende types (elektronneutrino, muonneutrino en tauneutrino) en wisselen aanhoudend van identiteit. Wie een detector bouwt voor één van de types mist dus een deel van de passerende hordes deeltjes.

Voorwaarde voor die zogenaamde neutrino-oscillaties is dat de drie types niet precies dezelfde massa hebben. Neutrino’s kunnen dus bijvoorbeeld niet allemaal massaloos zijn. Maar groot is die massa ook niet, blijkt de laatste jaren uit steeds preciezere metingen, grotendeels in de KAMland detectoren in Japan. Tegelijk is een echte massameting nog steeds niemand gelukt.

Ondermeer het vermaledijde OPERA-experiment in Gran Sasso, dat van de snelle neutrino’s, is daarop gericht.

Juist omdat neutrino’s na hun ontstaan zelden hinder ondervinden van materie op hun pad, bieden ze ook een fantastische blik in het allerdiepste binnenste van kosmische processen. De laatste tien jaar doet daarom neutrino-astronomie opgang. In het ijs van Antarctica en de diepten van de Middellandse Zee en het Bajkalmeer zijn immense reeksen detectoren geplaatst die als telescopen naar bronnen aan de hemel kunnen kijken.

Vorige week nog meldde de ICECUBE detector op de Zuidpool een verrassend resultaat: dat bij de heftigste verschijnselen aan het zwerk, gammaflitsen, geen enkele neutrino vrijkomt, terwijl dat in theorie niet anders kan. Het zal niet de laatste keer zijn dat Fermi’s schizofrene spookdeeltje fysici voor raadsels stelt.

Neutrino is een boek voor doorbijters die echt in detail willen weten hoe het met het neutrino zit. In dat opzicht komt het zowel te vroeg als te laat. De ontwikkelingen sinds pakweg 2009 staan er niet in. En het is duidelijk dat de grootste inzichten eigenlijk nog moeten komen. In ieder geval had de Nederlandse uitgever hier en daar toch wel wat actuele voetnoten mogen plaatsen.

Frank Close: Neutrino. Veen magazines, isbn 9789085711018, 143 pagina’s, e 19,95

Opeens is er 2 miljard voor Hoger Onderwijs

Gisteravond zat hij glimmend bij Pauw en Witteman: de hoofdredacteur van Science Guide, Pieter Gerrit Kroeger. Niet als kenner van het hoger onderwijs, maar als kenner van het CDA. Evalueerde al eerder CDA-debacles, schreef naar verluidt meeslepende boeken over de teloorgang van de Christendemocratische zuil.

Kroeger was op herhaling bij P&W. Een paar dagen ervoor had hij voorspeld dat het gelazer rond de PVV in Limburg tot een crisis in Den Haag zou leiden. Dat gebeurde. Of daarmee Kroeger een visionair moet heten, weet ik niet. Als er geen crisis was uitgebroken, hadden we Kroeger niet meer op de buis gezien namelijk.

Maar dat doet er niet toe. Sinds een paar jaar is Kroeger als hoofdredacteur van Science Guide namelijk wel een uitstekende bron voor wat er achter de schermen van de macht op het gebied van Hoger Onderwijs en Wetenschap gebeurt.

De manier waarop hij het opschrijft, verraadt een ambtenaar, diep in zijn binnenste. Klopt ook: hij was ooit adviseur HO van staatssecretaris Marc Rutte zelf.

Maar daar lezen we graag even doorheen in Kroegers analyse van het Hoger Onderwijs na de val van het kabinet. Waar het op neerkomt is dat de huidige studiefinanciering al zeer binnenkort eraan gaat, en vervangen wordt door een sociaal leenstelsel. Daarmee speelt OCW 2 miljard euro per jaar vrij op zijn begroting.

Die miljarden, weet Kroeger van zijn CDA-vrienden, gaan niet naar het begrotingstekort. Althans niet helemaal. Ongeveer de helft gaat wel naar het grote zwarte gat van Jan-Kees de Jager. Maar de rest is er voor extra investeringen in onderwijs en onderzoek. Dat heeft Elly Blanksma, ook al een CDA-er, in maart namelijk aangekondigd. En dat schijnt ook in de Catshuisberaadslagingen besloten te zijn geweest.

Het zou mooi zijn: het besluit om tegen de crisis in te investeren in de opleiding en onderzoekscapaciteit van Nederland en de Nederlanders. En dat miljard komt ook in de richting van wat er per saldo in het regeerakkoord was geschrapt in het onderzoeksbudget.

En het mooiste, aldus Kroeger: er is een Kamermeerderheid voor dit meesterlijke plan, waarvan je haast zou gaan denken dat hij het (mede) zelf bedacht heeft.

Eind goed, al goed? Misschien. Alles hangt af van de voorwaarden van dat sociale leenstelsel. Als die bij voorbaat als een molensteen om de nek gaat hangen van generaties studenten is de uitwerking gegarandeerd averechts. Dan gaat er geen hond meer iets moeilijks studeren, in de wetenschap dat ze de rest van hun leven tot onder de brug waar ze slapen door deurwaarders achtervolgd zullen worden.

Zijn ze bij het RIVM helemaal gek geworden?

In eerste instantie ben je geneigd te denken dat ze helemaal gek geworden zijn, bij het RIVM. Gisteren verscheen een kennisbericht van het Kennisplatform Elektromagnetische Velden, waarin artsen wordt voorgehouden dat ze klachten van patiënten met ‘elektrogevoeligheid’ serieus moeten nemen. Bijvoorbeeld door voorlichting over bescherming tegen elektromagnetische golven.

Was getekend: RIVM, KEMA, TNO, GGD’s, Telecombureau, ZonMW en Gezondheidsraad. Alle instanties, kortom, die wetenschappelijk kijken naar de risico’s van elektromagnetische straling, van radar tot mobieltjes. Instanties ook die weten dat er wetenschappelijk echt geen aanwijzingen zijn dat je een hersentumor van mobiel bellen krijgt, zoals hele volksstammen maar blijven denken, ondertussen trouwens vrolijk doorbellend.

Ik had van dat Kennisplatform eerlijk gezegd nog nooit gehoord, en meende zelfs even dat het om een van die nogal bozige actiegroepen moest gaan, die ageren tegen alles wat elektrisch is. Ik heb ze wel eens op de krant gehad, voor een praatje. Ziek van de elektrische deken, de WIFI verderop in de straat, straatlantaarns, en trouwens ook van de uitlaatgassen van vliegtuigen en andere technologische staatsterreur. Een beetje paranoïde volk met een allegaartje van vage klachten, concludeer je bij dat soort ontmoetingen al snel.

Maar RIVM & co hebben besloten dat je het, bijvoorbeeld als huisarts, toch serieus moet nemen. Op zich terecht. Als mensen klachten hebben en naar de dokter gaan, moet je ze niet weglachen. Maar daarna moet je ze wel de waarheid durven zeggen. Zou je denken.

Maar daar is het platform niet voor. Waar is het wel voor? Het is in 2010 opgezet om een einde te maken aan de soms aanzienlijke spraakverwarring van alle instanties die wel eens iets zeggen over stralingsrisico’s. Er is nu één loket. Daar kunnen burgers (en media) terecht voor het enige betrouwbare verhaal over elektromagnetische straling, wetenschappelijk verantwoord.

Klinkt goed en verstandig. Alleen blijft het wringen dat het eensluidende advies kennelijk is om klagers te bevestigen in hun elektroparanoia. Terwijl mensen niet ziek worden van elektromagnetische golven, maar toch echt gewoon van de zorgen die ze zich daarover maken.

Niet mevrouw Einstein, dus

Bedacht Einsteins vrouw Mileva Maric in 1905 de relativiteitstheorie? In de jaren tachtig van de vorige eeuw werd dat gerucht in feministische kring stevig omarmd. Maar daadwerkelijk bewijs dat de eerste mevrouw Einstein ook maar een deel van het baanbrekende werk deed, is er niet. Dat meldt Einsteinvorser Galina Weinstein van Boston University in een paper die deze week verscheen.

In de tientallen brieven die van het paar bewaard zijn, is het alleen Einstein die almaar over natuurkunde schrijft. Mileva doet dat nooit, ondanks haar gestaakte opleiding als fysicus in Zürich.

In de jaren negentig wezen sommige historici op een brief aan Mileva uit 1901 waarin Einstein zegt zich erop te verheugen ‘ons werk aan de relatieve beweging’ binnenkort met succes af te ronden. Zie je wel, was de reactie. Ze werkten samen!

Feministes als Senta Troemel-Ploetz begonnen een guerilla om het onrecht, Mileva aangedaan, recht te zetten. Erger nog, Servische nationalisten claimden zelfs enige tijd fel dat relativiteit in wezen Servisch gedachtengoed was. Mileva was namelijk Servische.

Allemaal onzin, noteert Weinstein in een stuk dat overigens (en misschien ook helaas) meer als een opstel dan een serieuze historische studie moet gelden.

Mileva was in die jaren Einsteins vriendin en vrouw, die luisterde naar zijn enthousiaste ontboezemingen, ook over zijn natuurkundige onderzoekingen. Het huwelijk (met een weggegeven dochtertje en twee zoons) strandde later jammerlijk. Die opvatting schreef eerder Einstein-kenner John Stachel al luid en duidelijk op.

Weinstein heeft echter nu ook precies achterhaald hoe het gerucht rond Mileva in de wereld moet zijn gekomen. In 1955 noteerde de Russische fysicus Abram Federovich Joffe in zijn memoires dat hij destijds als leerling van Röntgen het manuscript had gezien, van een hem toen onbekende patentklerk in Bern, ene Einstein-Maric.

Maar dat staat er niet omdat Mileva meeschreef, zegt Weinstein nu. En Joffe bedoelde dat waarschijnlijk ook helemaal niet. In Zwitserland voeren mannen officieel de naam van hun vrouw na hun eigen naam, dat is alles.

Het was een Russische wetenschapsjournalist die Mileva’s naam opvatte als die van een tweede auteur. En toen in de jaren tachtig de liefdesbrieven van het jonge paar Eistein Maric opdoken, kwam het oude misverstand ongecheck weer boven drijven.

Hoe niet-pervers is open access eigenlijk?

Maar weer eens even op de site van thecostofknowledge gekeken. Hoe het staat met de handtekeningactie tegen wetenschappelijk uitgever Elsevier? Welnu. Momenteel hebben 9775 academici wereldwijd aangegeven dat ze niet meer in de bladen van Elsevier willen publiceren, of er niet als redacteur bij betrokken willen zijn, of niet als reviewer. Of alles tegelijk niet.

Het merendeel zijn biologen, computergeleerden en wiskundigen. Dat laatste is geen toeval: Field medal winnaar Tim Gowers is wiskundige en de aanstichter van de protestbeweging, die zich richt tegen de manier waarop grootkapitalist Elsevier geld verdient aan publiek gefinancierde research. Inmiddels hebben dus bijna tienduizend mensen aangegeven Elsevier te mijden.

Of dat veel is, ik heb geen idee. Wel is duidelijk dat Elsevier er toch wat zenuwachtig van wordt, en hier en daar aan het eigen systeem sleutelt. Een groeiend deel van de titels van de uitgever worden in dat verband van betaald abonnement omgezet naar open access. In dat geval kan iedereen op internet het betreffende tijdschrift lezen.

Dat klinkt sympathiek. Maar wat ik me tot nog toe minder had gerealiseerd, is dat open access net zo goed geld kost. Alleen niet de lezer, maar de auteur of diens werkgever. Linksom of rechtsom, de wetenschappelijke instellingen betalen dus. Aan de uitgever.

De huidige open access tijdschriften rekenen tussen de 1000 en 5000 euro voor publicatie van een artikel, zo blijkt in de praktijk. Soms zelfs tienduizend euro.

Die kosten, noteerde EMBO-directeur Maria Leptin onlangs in Science, komen niet alleen voort uit de reele kosten voor het publicatieklaar maken van dat bepaalde artikel. Een wetenschappelijk tijdschrift wijst als het goed is meer manuscripten af dan het accepteert. Afwijzen is ook werk, en kost dus geld. Dat moet met de wél gepubliceerde artikelen worden verdiend.

Leptin signaleerde daarin zelfs een gevaarlijke valkuil: naarmate een blad strenger is, zijn de kosten per geaccepteerd artikel in feite hoger. Maar dat houdt natuurlijk ergens op. En dus hebben tijdschriften met de hoogste kwaliteitsstandaard de meeste moeite om het hoofd boven water te houden. En omgekeerd: het wordt wellicht verleidelijk om de teugels iets te vieren. Dan komt er meer geld in het laatje.

Een perverse prikkel dus, open access? Hoeft niet, maar het kan wel.

Wat in elk geval merkwaardig is, is dat uitgever Elsevier pas zo laat en zo voorzichtig de beweging richting open access tijdschriften inslaat, als het voor het geld toch niet uitmaakt. Dat moet wel conservatisme zijn. Wat dan ook weer niet zo gek is, voor een beursgenoteerd miljardenbedrijf.

Mooi? Techniek is helemaal niet mooi

Het kabinet luidt de noodklok over een schreeuwend gebrek aan technici de komende jaren. De lassende, bankwerkende en monteurende babyboomers gaan massaal met pensioen. En er zijn te weinig scholieren en studenten in opleiding om ze te vervangen. In 2016 resulteert dat in 170 duizend technici te weinig.

Dat worden dus Polen en Bulgaren, zou je denken. Maar dat is natuurlijk ook niet de bedoeling. En dus wil het kabinet het aantal Nederlandse technici in opleiding omhoog hebben. Om te beginnen door het imago van techniek op te schroeven. Techniek is toch zo mooi, is het mantra.

Echt?

Om te beginnen is met dat imago van techniek iets raars aan de hand. We leven in een hoogtechnologische samenleving, en worden de hele dag omringd door techniek. Onze auto’s, telefoons, computers, licht, lucht en water, de centrale verwarming en het draadloze thuisnetwerk, ons voedsel, de films die we zien: alles is techniek. Een leven zonder kunnen we ons niet meer voorstellen.

En onze kinderen al helemaal niet.

Maar het is met techniek ook een beetje als de goudvis die niet weet dat hij omringd wordt door water. Het is er, een natuurlijk gegeven. Pas als het er niet is, dringt door hoe belangrijk het voor hem is. Dan bellen we boos een helpdesk, een storingsmonteur, de loodgieter, een mannetje. Dat de techniek mensenwerk is, is hún probleem. Niet het onze.

Techniek is dus mooi om te gebruiken. Maar lastig zodra het mensenwerk wordt. Daar helpt geen campagne aan.

170 duizend extra technici haal je met geen geweld binnen door techniek en technici op te hemelen. Wat nu zo merkwaardig is, is dat dit liberale kabinet maar niet begrijpt wat wel de oplossing is: beter betalen. Laat de markt zijn werk doen.

Kansen zat. Behalve 170 duizend technici te weinig, stromen er de komende jaren ook 340 duizend verse technici wél de sector in. Betaal die vaklui fatsoenlijk en het vak wordt vanzelf aantrekkelijk genoeg om het te leren en te beoefenen. Niet omdat techniek zo mooi is, dat is het namelijk helemaal niet. Techniek is ingewikkeld, en vuile handen.

Maar gewoon omdat het dan goed verdient om bankwerker te zijn. CV-monteur. Of fietsenmaker.

De stilte voor de Majorana-storm

Oprichter Paul Ginsparg van het natuurkundige webdepot Arxiv.org heeft iets nieuws. Al sinds mensenheugenis publiceren fysici op zijn site alvast hun artikelen, in afwachting van eventuele publicatie door een tijdschrift. Op die manier schiet het wetenschappelijke debat tenminste een beetje op. Rijp en groen staan er weliswaar door mekaar. Maar vakmensen kijken daar dwars doorheen.

Door het enorme aanbod aan artikelen, is arxiv echter ook een thermometer voor wat de natuurkundigen in de wereld bezig houdt. En dat laat zich tegenwoordig in een oogwenk analyseren, met dank aan de mensen van Culturomics op Harvard. Met Google-achtige zoektechnieken maken zij analyses van het voorkomen van zoekwoorden in zo ongeveer de hele wereldliteratuur sinds 1800.

Hetzelfde, realiseerde Ginsparg zich, kan ook met wetenschappelijke literatuur. Of een webdepot vol manuscripten. En dus is daar nu bookworm arxiv, het zoekprogramma dat trends en hypes in de natuurkunde haarfijn laat zien. Grafeen, bijvoorbeeld, het vliesdunne grafiet waarvoor Geim en Novoselov in 2010 hun Nobelprijs kregen, begint vanaf ongeveer 2006 een echte vlucht te nemen. Grappig genoeg is de trend voor het Higgs-deeltje een dalende; vijftien jaar geleden werd er tweemaal zoveel over gepubliceerd als nu.

Ook grappig om te zien is dat de ophef van vorig najaar over het OPERA-experiment dat neutrino’s dacht te zien die sneller gingen dan het licht, echt een bevlieging was. Medio 2011 begint er een stapel publicaties te arriveren, die echter begin 2012 alweer wegzakt. Ongeveer vanaf het moment dat OPERA meldde dat een losse kabel de illusie van snelle neutrino’s veroorzaakte.

Gezien de huidige opwinding over de Delftse vermoedelijke vondst van het illustere en langgezochte Majorana-deeltje tikken we ook even ‘majorana’ in. Het resultaat is helder. Al sinds 1995 heeft ongeveer een half procent van alle fysische publicaties iets met majorana’s te maken gehad.

Mogelijk is dat de stilte voor de storm. Want als Leo Kouwenhoven inderdaad echte majorana’s maakt, kan dat tot een explosie van research leiden. Vooral omdat er zicht is op toepassing in quantumcomputers.

En de stilte is ook al interessant. In de jaren negentig waren er duidelijk meer theoretische artikelen dan experimenten. De laatste jaren stijgt vooral het aandeel artikelen over majorana-achtige verschijnselen in vaste stoffen. Precies waar Leo Kouwenhoven ze nu ontdekt hoopt te hebben: in een indium-antimoon nanodraad op een deels supergeleidende chip.

Het artikel dat hij daarover gisteren in Science publiceerde, stond overigens niet voor dat moment op arxiv. Science verbiedt dat. Maar als potentieel Nobelprijswinnaar moet je hoe dan ook geen slapende honden wakker maken.

Hopelijk krijgt Leo Kouwenhoven geen beter idee

Vorige maand vertelde Leo Kouwenhoven in Boston op de voorjaarsvergadering van de Amerikaanse natuurkundevereniging AAS over aanwijzingen die hij had voor het ontstaan van Majorana-deeltjes in nanodraden op supergeleidende chips. Nature meldde het. Science meldde het. De Volkskrant meldde het, kamerbreed zelfs.

Terecht, want Majorana’s vinden is groot nieuws. Er is namelijk 85 jaar tevergeefs naar gezocht. Of omgekeerd: wie hem vindt, wordt beroemd.

Ettore Majorana stelde in 1937 een nog onbekende oplossing van de Dirac-vergelijking voor, de relativistische elektronentheorie. Dirac zelf had via die theorie eerder voorspeld dat elektronen ook in een positief geladen versie konden voorkomen. Die positronen waren letterlijk anti-elektronen. Breng een elektron en een positron bij elkaar en ze verdampen in een flits van energie. Ze werden in 1928 gevonden.

Een triomf voor de theorie.

Majorana bedacht een variant: een deeltje dat zijn eigen antideeltje is. Een soort elektron, maar dan zonder lading en met buitengewoon vreemde eigenschappen. Bijvoorbeeld dat een tweetal Majorana’s een paar kunnen vormen dat  er niet hetzelfde uitziet als je er een rondje omheen loopt, maar weer wel als je nog een tweede rondje doet.

Topologische eigenschappen, noemen mathematisch fysici dat. En het is precies die eigenaardigheid die maakt dat Microsoft Research (net als FOM) vorig jaar een miljoen dollar in Kouwenhovens Delftse groep stak. Paren Majorana’s zijn te gebruiken als bits voor een quantumcomputer. Normaal zijn zulke qubits een droom voor wie sneller rekenen wil, maar een nachtmerrie om mee te werken, omdat ze extreem makkelijk verstoord raken. Paren Majorana’s daarentegen zijn nagenoeg onverwoestbaar.

Nu terug naar de paper die Kouwenhoven en collega’s vanavond in Science publiceerden. Op 23 maart ingediend, op 5 april geaccepteerd. Dat tempo geeft aan dat Science denkt dat het menens is met de Delftse vondst.

Maar wat we in alle opwinding bijna vergeten is dat Kouwenhoven zelf in zijn paper aangeeft dat hij zijn metingen weliswaar niet anders kan verklaren dan door aan te nemen dat er iets Majorana-achtigs in zijn nanodraadje is ontstaan. Maar ook dat het echte bewijs dat dit is wat Majorana destijds voorzag nog niet geleverd is, omdat dat bewijs juist in de topologische eigenschappen van het deeltje schuilt. En die zijn nog niet onderzocht, laat staan gemeten.

Leo kennende is hij daar al druk mee doende en komt het vast allemaal goed en wint Kouwenhoven (1961) binnen afzienbare tijd een Nobelprijs. Maar tot die tijd hebben ze in Delft vooral een Majorana bij gebrek aan een (nog) beter idee. Het is te hopen dat niemand dat krijgt. Ook Leo niet.