Boek: de geschiedenis van stenen

Kijk, zegt geoloog Robert M. Hazen in The Story of Earth, naar een gemiddelde mineralenverzameling in een museum. Prachtige vormen en structuren, kleuren, en overal bordjes bij. Vindplaats. Chemische formules. Kristalvorm. Maar er ontbreekt veelal één belangrijk gegeven: de tijd. Hoe oud zijn deze stenen? En waarom zijn ze precies zo oud en niet ouder of jonger?

In zijn nieuwe boek draait het precies daarom: de vraag waarom stenen zo oud zijn als ze zijn. Planeet Aarde is namelijk geen statische kei, maar een planeet met een ongekend rijke ontstaansgeschiedenis van 4,5 miljard jaar, die doorgaat tot de dag van vandaag, en nog verder. Tot het een keer ophoudt, over iets van vijf miljard jaar, als de zon door zijn brandstof heen is, explodeert en de hele planeet in een oogwenk verdampt.

Hazen, als geofysicus verbonden aan de Canergie Institution in Washington, publiceerde in 2008 een spraakmakende studie waarin hij wees op de noodzaak om in termen van evolutie te denken over mineralen. Ook letterlijk. Volgens Hazen is de geschiedenis van de stenen aarde, van een zinderende rots tot een koele waterplaneet, niet te begrijpen zonder de geschiedenis van het leven op de planeet. Die twee domeinen zijn veel nauwer verweven, dan geologen of biologen zich doorgaans realiseren. En dat al vanaf het begin van het leven.

Hazen is niet alleen een prachtige verteller maar ook een wetenschapper met een serieuze eigen boodschap. Hij deed in zijn lab twintig jaar experimenten waarin biologische structuren de extreme omstandigheden overleefden die pakweg 4 miljard op de oeraarde bestonden. En nog steeds blijken bacteriën het op de meest onmogelijke plekken best naar hun zin te kunnen hebben, terwijl ze de chemie en petrologie van hun omgeving mede bepalen.

In hoeverre dat echt tot een paradigmawisseling in de aardwetenschappen moet leiden, is voor veel aardwetenschappers misschien minder een uitgemaakte zaak dan voor Hazen zelf. Maar The Story of Earth is hoe dan ook een prachtbelevenis voor wie wil begrijpen op welke planeet we eigenlijk leven. Een klassieker in het rijtje Brief History of Time (Hawking) en The Ancestors Tale (Dawkins).

Robert Hazen: The Story of Earth. Viking. 300 pp. Isbn 978 0 679 02355 4. € 24,99

Plasterks gratis bèta’s

Kostenloos exact studeren kan het aantal bèta’s vergroten, maar de huidige studieuitval is een groter probleem.

Het plan van voormalig minister en nu PvdA-kamerlid Ronald Plasterk om studenten van exacte- en technische studies in de toekomst vrij te stellen van collegegeld, ontlokt terecht felle reacties. Plasterk sprak zondag in Buitenhof over het groeiende tekort aan technici en bèta’s, dat de Nederlandse bedrijvigheid parten gaat spelen.

Die zorg is terecht. De vraag is echter of het probleem op te lossen is door veel meer studenten naar exacte vakken te willen lokken. Er is niet zozeer behoefte aan meer studenten bèta en techniek. Er is behoefte aan afgestudeerden in die richtingen.

Dat universiteiten en hogescholen niet enthousiast reageren, hangt samen met het bestaande financieringsstelsel, waarin collegegeld per student moet worden verdiend. Massale toestroom van studenten die vervolgens niets opleveren, is vragen om kwalitatieve problemen bij studierichtingen die juist tot de kostbaarste behoren.

Het aantal inschrijvingen voor exacte studies stijgt de laatste jaren al licht; het aantal afstudeerders nauwelijks. Het echte probleem van de schaarse bèta’s is daarom de relatief grote studie-uitval. Een kwart van de eerstejaars houdt het binnen een jaar al voor gezien. Ook voor veel gemotiveerde studenten zijn de studies kennelijk te pittig of toch anders dan ze gedacht hadden.

Plasterks voorstellen, die overigens geheel in lijn zijn met eerdere ideeën van werkgeversorganisatie FME, zijn op zijn best een begin van het oplossing van het Nederlandse bèta-tekort. Parallel daaraan zijn niet alleen plannen nodig om het onderwijs aan alle exacte studenten fatsoenlijk te financieren.

Nog belangrijker is om de huidige studie-uitval in de exacte richtingen terug te dringen met betere voorbereiding, beter onderwijs en betere begeleiding. Dat is fair voor de huidige, betalende studenten. En mogelijk ook effectiever dan Plasterks gratis instroom.

De paradoxale sommen van SKA

Vrijdagmiddag waren ze er opeens uit, de landen die samen de Square Kilometer Array willen bouwen, de grootste radiotelescoop ooit. Een jaar lang vochten Zuid-Afrika en Australië elkaar de tent uit om het project van anderhalf miljard euro te mogen realiseren.

En nu krijgen ze het beide, een beetje. De duizenden telescoopschotels en antennevelden worden over beide continenten verspreid. Samen vormen ze een luisterend radio-oor van een vierkante kilometer.

Ik belde meteen na het nieuws astronoom en Spinozaprijswinnaar Heino Falcke voor een eerste commentaar. Hij was blij. Dat was geen nieuws. Hij klonk ook licht bezorgd. Dat was wel nieuws.

Op zich, zei Falcke, is de opdeling technisch geen probleem. Sterker. Het gedeelde geheel kan nog sterker zijn dan het geheel, omdat je vanzelf meer rekencentra neerzet. Daar weten de astronomen wel weg mee.

En de zorgen? Die hadden twee kanten. Ten eerste was er de vraag of ze het wel voor mekaar krijgen, een zo groot en ingewikkeld programma bouwen en runnen terwijl je op twee verschillende continenten zit. Hij hoopte dat het gaat lukken. In dat geval werkt het compromis zoals het bedoeld is: door SKA te verdelen heb je nog meer astronomen met de neus dezelfde kant op.

De andere zorg is het geld. Eerder werd SKA geraamd op pakweg anderhalf miljard euro, voor de bouw en de aanleg van alle infrastructuur, van wegen en energievoorziening tot data- en rekencentra.

Een tweedeling van SKA leidt tot meer infrastructuur en meer datastromen, meer energievraag. Ingewijden schatten dat het hele project gemakkelijk anderhalf keer zo duur wordt. Dan kom je zomaar boven de 2 miljard euro, en misschien wel 2,5 miljard.

Is dat veel? Veel geld is het wel. Maar sommen als die van SKA kennen altijd een paradoxale kant. Stel SKA had gekozen voor een van beide gegadigden alleen. Dat had betekend dat óf Zuid-Afrika, óf Australië/Nieuw-Zeeland zich teleurgesteld zomaar uit SKA had kunnen terugtrekken. Dan had het hele project alsnog op losse schroeven gestaan.

Het was dus kiezen of delen: geen project voor 1,5 miljard en wel een project voor 2,5 miljard. Big Science kent zijn eigen wetten.

Fijn dat ik Bas van Geel niet heb gesproken

Een paar weken geleden publiceerde de Amsterdamse aardwetenschapper Bas van Geel met een groep Duitse onderzoekers een artikel in Nature Geoscience dat je gerust interessant mocht noemen. Van Geel en de zijnen boorden in de oude modder in een diep Duits meer, het Meerfelder Maar en beschreven de resultaten.

Zo’n 2760 jaar geleden, concluderen ze op grond van de jaarlijkse aangroei van sliblaagjes, waaide het gedurende twee eeuwen veel harder dan normaal. En opmerkelijk: precies in die periode zit er veel minder van het element berilium-10 in de modder. Dat wijst op een extreem rustige zon, zonder zonnevlekken.

Enkele kranten, zoals Trouw en de NRC, pikten het wetenschapsnieuws op en lieten Van Geel aan het woord. De Volkskrant niet. Niet omdat we het niet wilden weten, maar domweg omdat we kennelijk even niet Nature Geophysics uit het wikkel hadden gerukt.

Van Geel wel en hij stuurde voor de zekerheid zijn artikel via de redactiepostbus nog nog maar even op naar de krant. Door te sturen naar mij. Met de groeten van de Baggerprofessor, stond er onder.

Zo had ik sedimentman Van Geel, die een uitgesproken klimaatscepticus is en al sinds mensenheugenis probeert aan te tonen dat de zon klimaatveranderingen dicteert, ooit ergens met een kwinkslag genoemd.

Dat willen aantonen mag natuurlijk. Zo werkt de wetenschap. Maar wat zich daarna ontspon, mag namelijk gerust bizar heten.

Ik meldde Van Geel dat ik zijn artikel interessant vond en er toch nog wat vragen over wilde stellen.

Van Geel gaf een paar dagen later aan dat dat goed was.

Een uur later mailde hij wel even een reeks citaten uit een oud opinieartikel waarin ik had uiteengezet waarom klimaatsceptici die wetenschappelijk uit hun nek kletsten geen plek op de opiniepagina’s van de kranten verdienen. “Ter herinnering.”

Ik mailde van Geel met de vraag of hij eigenlijk echt wel wilde praten, of alleen ruzie maken.

Praten, mailde hij weer. “Ik vind het prima dat je belangstelling hebt maar daarbij zeg ik je eerlijk: ik word uiteindelijk niet koud of warm van wat een journalist vindt.”

Kunnen we het niet beter gewoon over dit artikel hebben, in plaats van over wat je van journalisten denkt, mailde ik terug?

Van Geel, in weer een mail: “Ja, we kunnen over het artikel spreken. Ik ga er overigens van uit dat jij je geprononceerde mening in je stuk zult verwerken. Dat neem ik zoals het is.”

Ik weer: “Ik ben niet bezig met een mening, laat staan een geprononceerde, maar gewoon met wetenschappelijk nieuws. Als je het niet vertrouwt, moet je het artikel misschien ook niet onder mijn aandacht brengen. Dan blazen we het af.”

Waarna intussen alle deadlines al verstreken waren en het artikel sowieso al twee weken oud. Er kwam geen gesprek. En geen stuk in De Volkskrant. Zie je wel, toeterde scepticus Hans Labohm, de Volkskrant negeert al wat haar niet uitkomt.

Hebben we al met al wat gemist? In de vraaggesprekken met de NRC en Trouw mocht Van Geel uitleggen dat zijn nieuwe studie de rol van de zonnevlekken voor het aardse klimaat onderstreept en dat die veel groter is dan wat ze bijvoorbeeld bij het IPCC onderkennen. Sterker: dat er een extreem zonneminimum aan lijkt te komen en dat dat wellicht zelfs tot een afkoeling zal leiden.

Er was eigenlijk maar één probleem: wat Van Geel beweert staat helemaal niet in het Nature-artikel, dat het houdt bij een correlatie tussen sliblaagjes en zonnevlekactiviteit, op dat moment en op die ene plek. Wetenschappelijk interessant, zeker, en mooi werk. Maaral het andere zou speculatie zijn.

Ik ben al met al eigenlijk vooral blij dat ik Bas van Geel heb niet gesproken heb. Wie weet wat hij mij allemaal op de mouw had kunnen spelden, als geleerde die zonder blikken of blozen buiten zijn boekje gaat.

Boek: Gepriviligeerd schoolreisje

Het moet een heerlijke brainwave zijn geweest, waarvan vervolgens waarschijnlijk zelfs de bedenker de haalbaarheid betwijfelde. Maar aan de vooravond van zijn vertrek naar Princeton zei KNAW-baas Robbert Dijkgraaf ja tegen wetenschapsjournalist Marcel Hulspas en trok een paar dagen met hem langs Nederlandse musea en collecties, om te neuzen in oude boekwerken, om te turen naar instrumenten, machines en preparaten en vooral: om te praten over onze eigen grote wetenschappers uit het verleden.

Het resultaat, schrijft Dijkgraaf zelf vooraf, is als het verslag van een schoolreisje.

Dat moet een prachtig schoolreisje geweest zijn: van de anatomische atlassen van Vesalius (Leiden), tot de elektriseermachines van Van Marum (Teylers) en van aantekeningen van Huygens (Boerhaave) tot het planetarium van Eise Eisinga in Franeker. Overal zwaaien voor de president deuren open en worden topstukken opengeslagen en aangereikt. En overal krijgt Dijkgraaf antwoord op zijn oprecht verbaasde vragen. Wat vond mevrouw Eisinga eigenlijk van dat geknutsel van haar man, in de avonduren, na een lange dag wolkammen en nota bene in haar woonkamer? Maakte Javamens-ontdekker Eugène Dubois eigenhandig dat beroemde beeld van zijn Pithecantropus? Had anatoom Vrolik al die gruwelpreparaten gewoon thuis? Huh?

Dijkgraafs geprivilegieerde ontmoetingen met het verleden van de Nederlandse wetenschappen worden in Hulspas’ handen onderhoudende reportages, die vaak alleraardigste details bevatten. De grote astronoom Jan Hendrik Oort groeide op een steenworp van het planetarium in Franeker op. In de hal waar Kamerlingh Onnes een eeuw geleden helium vloeibaar maakte, staat nu een cola-automaat voor rechtenstudenten. Dubois bewaarde zijn topstukken in een zeepdoosje. De anatomische collecties van het AMC staan in een voormalige atoombunker. Van Leeuwenhoek bekeek met zijn microscoop zijn eigen zaad ‘binnen negen hartslagen na den daad’. En Eise Eisinga’s planetarium wordt eenmaal per jaar helemaal in de was gezet.

Niet alle reuzen komen aan bod (Lorentz ontbreekt bijvoorbeeld). Niettemin: heerlijk.

Marcel Hulspas: Reuzen van de Lage Landen. NieuwAmsterdam; € 16,95; ISBN 978 90 468 1318 8.

Onderste olie uit de kan

De run op de olie- en gasreserves van de Noordpool is een riskante run op het onderste uit de kan.

Het is de ultieme ironie van de klimaatverandering dat door het eeuwenlang opstoken van fossiele brandstoffen het Noordpoolijs ’s zomers zo ver afsmelt dat winning van olie en gas in het poolgebied een reële optie is geworden.

Dat gevoegd bij de inmiddels structureel hoge olieprijzen, maakt dat de winning van olie in het poolgebied zich de komende jaren zeker gaat uitbreiden. De vraag is wat daarmee te winnen is. En vooral: wat de risico’s zijn voor wat een van de laatste natuurgebieden van planeet Aarde moet heten.

Te winnen is er tegelijk veel en weinig. Voor landen en oliemaatschappijen betekent het nieuwe frontgebied een kans op miljardeninkomsten. Voor de wereld als geheel zijn de geschatte winbare reserves in het gebied net geen druppel op een gloeiende plaat: ongeveer drie jaar wereldverbruik. Alleen beetjes helpen, zo gaat het met alle oliereserves. Maar in principe zou de wereld best zonder kunnen.

De milieurisico’s van grootschalige oliewinning, ondermeer door Shell, zijn inmiddels onderwerp van discussie. Maar de olieindustrie heeft geen goede track record. Milieuveiligheid is  er onderdeel van de bedrijfsvoering, en geen absoluut uitgangspunt.

Het poolgebied kent zijn eigen risico’s. Boordieptes zullen er veel minder dramatisch zijn dan bijvoorbeeld in de Golf van Mexico, waar het lek in de diepte onder de Deepwater Horizons haast onstelpbaar bleek. De omstandigheden aan het oppervlak zijn daarentegen binnen de poolcirkel wel veel zwaarder. Bovendien is het ecosysteem van de poolwateren kwetsbaar, juist omdat het minder complex is dan in andere gebieden.

Het lijkt er vooral op dat de oliemaatschappijen gelijk hebben in hun optimistische inschattingen van de problemen aan de pool, zolang het goed gaat. Maar de milieubeschermers krijgen gelijk zodra het een keer goed mis gaat in het poolgebied. Te vrezen valt dat je daar op kunt wachten.

De run op de poololie laat eens te meer laat zien dat het de hoogste tijd is om voluit in te zetten op duurzame energiebronnen en efficiency, in plaats van de onderste olie uit de kan.

(Volkskrant 16.5.2012)

Nederland: wereldkampioen onderwijsdata

Goed nieuws voor wie van ranglijstjes houdt en van het Nederlandse Hoger Onderwijs. Universitas21, een internationale club van universiteiten, heeft een nieuw rapport waarin het landen rangschikt naar de kracht van hun Hoger Onderwijs. Nederland staat daarin op nummer 9.  Net na Australië. Net voor het Verenigd Koninkrijk.

Afgezien van de VS, Canada en Australië is de top-10 van hoger onderwijssystemen een Europese aangelegenheid. Sterker: alle vier de Scandinavische landen doen het uitstekend, evenals Zwitserland. Toevallig, of eigenlijk helemaal niet toevallig, zijn dat in alle OECD-lijsten ook de meest innovatieve landen.

Als in de overall ranking de Amerikanen een 10 krijgen, dan scoort Nederland een 7,7. Op zich klinkt een dikke 7,5 niet slecht, zeker gezien de positie van de Fransen (7,1) en de Duitsers (6,9). De Belgen scoren een 7,4.

Klinkt mooi dus. Alleen waarom zijn we in Nederland eigenlijk een relatieve koploper?

Het rapportcijfer is opgebouwd uit vier elementen: middelen, beleid, verbondenheid en productiviteit. Gemeten naar investeringen voor wetenschap en onderwijs is Nederland negende na landen als Canada, de VS, de Scandinaviërs, Zwitserland en Singapore. Qua verbondenheid (internationaal) staan we relatief laag: op plaats 20. In productiviteit halen we net plaats 10.

Maar echt wereldleider zijn we voor wat betreft Hoger Onderwijs toch in beleid, vertaald naar aantallen vrouwelijke studenten en staf, naar beschikbaarheid van onderwijsgegevens, en naar regelgeving. Nederland scoort vooral met onze kennelijk perfecte boekhouding van hoger onderwijs data en met regels.We krijgen er een 10 voor.

Echt doorslaggevend is dat overigens niet, blijkt ook met enig rekenwerk. Alle toplanden hebben hun cijfers en vrouwen en regels ongeveer even goed op orde. Dat maakt het verschil dus niet. Maar omgekeerd wel: landen zonder stevig beleid bakken niks van hun onderwijs en wetenschappen.

Wel echt doorslaggevend: geld. Wie investeert, staat in de top. Uitzonderingen daarin zijn de Britten en de Australiërs, die vooral veel produceren, alle bezuinigingen ten spijt.

Nederland is negende omdat we nog steeds relatief veel investeren en tegelijk bovengemiddeld ijverig publiceren. Blijft natuurlijk de vraag wat je daar precies aan hebt, behalve het bereiken van een hoge plek in de ranglijst.

Het Maya-dilemma: zonder kletsverhaal geen nieuws

Eerst heeft de National Geographic Society ons jarenlang doodgegooid met doemverhalen over de Mayakalender die het einde der tijden aankondigt op 21 december 2012. En nu komt diezelfde National Geographic met een expeditie die in Guatemala een negende-eeuwse Maya-kalender heeft gevonden die nog zeker 7000 jaar meegaat. En in feite gewoon tot de eindigheid reikt, net als alle kalenders.

Mooi, ben je even geneigd te denken. De wereld vergaat toch maar niet.

Maar het merkwaardigste aan het hele verhaal is dat op een enkele mafketel na natuurlijk niemand werkelijk geloofde dat de wereld eind dit jaar zou vergaan. Dat verhaal was een modern sprookje. Een fantasie, die vooral lekker was omdat hij toch een tikje griezelig leek. Wat nou als die malle Maya’s zomaar toch gelijk hadden?

Het is diezelfde griezelfantasie die maakt dat we het nieuwe nieuws toch ook weer interessant vinden, als media en als mediaconsumenten. Niemand geloofde de voorspelling, maar een gevoel van opluchting bij het uitblijven van een fictieve ramp, is kennelijk toch prettig.

Voor de wetenschapsjournalistiek zijn dit de lastige momenten. Is de weerlegging van een populair broodje aap nieuws? Eigenlijk niet, nee. Maar als verantwoord medium weet je dat je lezers elders toch de klok wel zal horen luiden. Dus vertel je hem toch het liefst zelf waar de klepel hangt. In een nieuwsverhaal, dat de mythe nog maar weer eens naar de prullenbak verwijst.

Terecht. Maar zonder het broodje aap van de eindige Maya-kalender zou het mooie archeologennieuws natuurlijk van zijn lang zal ze leven niet in de krant zijn gekomen.

Is dat netto winst of netto verlies? Wie het weet mag het zeggen.

Walter Lewin: een stuiterbal geeft college

Op het omslag van Gek op Natuurkunde zien we de auteur, de Nederlands-Amerikaanse fysicus Roger Lewin in een van zijn bekendste college-acts: zittend op een slinger, in een proef om te demonstreren dat gewicht geen rol speelt voor de slingertijd. Want alleen de slingerlengte doet ertoe, is uit de wetten van Newton af te leiden. Wie de slingeract gezien heeft, vergeet dat nooit meer.

Lewin, sinds de jaren ’60 verbonden aan het MIT in Boston, is er beroemd om: spectaculaire hoorcollege’s waarin hij graag zichzelf of studenten als object voor onderzoek mag gebruiken. Hij springt met weegschalen aan zijn voeten, valt met jerrycans in zijn hand van pickniktafels, slingert met pannen water, stuitert, elektrocuteert en zwiert onder het vrolijke motto dat je soms wat voor de wetenschap over moet hebben. Zelfs zijn kinderen ontkwamen er thuis niet aan, verklapt hij.

Stuiterbal Lewin werd in Boston meermalen docent van het jaar, en sinds zijn wilde college’s ook op YouTube staan, is hij ook een stevige internethype. Niet in de laatste plaats omdat Bill Gates himself er lovend over was. Televisiekijkend Nederland zag hem inmiddels tweemaal bij De Wereld Draait Door: een prototype maffe wetenschapper met Einsteinesque warrig haar en een immens enthousiasme over het heelal en omstreken.

Dat enthousiasme spat ook van de pagina’s van zijn deze week verschenen boek, dat het midden houdt tussen persoonlijke memoires (inclusief tranen over de oorlogsgeschiedenis van zijn Joodse familie) en een boek over (overigens vooral klassieke) natuurkunde. Lewin dist smakelijke verhalen op over de natuurkunde die hij in zijn werk en college’s heeft laten passeren, van optica tot mechanica. Opvallend daarbij is de manier waarop hij de verwondering koestert en zelfs propageert als de ware motor van de wetenschap.

‘Natuurkunde is een manier van kijken’, noteert Lewin in zijn inleiding. Het is, zegt hij, belangrijker om studenten de schoonheid van ontdekkingen bij te brengen, dan ingewikkelde wiskundige formules.

Meekijken met Lewin is een ervaring, zondermeer, ook op papier. Maar de papieren versie haalt het natuurlijk niet bij Lewin live. Lewin moet je zien, zo simpel is het.

Walter Lewin: Gek op Natuurkunde. Thomas Rap. 383 pags, € 19,90. ISBN 978 94 004 0134 1.

Waarom onze wetenschappers hobbyisten zijn

We hadden het eerder al over de vreemde paradox van de Nederlandse wetenschappen. Aan de ene kant klagen wetenschappers en universiteiten steen en been over decennia van bezuinigen op het hoger onderwijs.

Anderzijds is Nederland wetenschappelijk nog steeds knettergoed, afgaande op de internationale vergelijkingen. Geen Harvards en Oxfords natuurlijk. Maar wel top.

Dat klinkt mooi, maar het is lastig voor wetenschappers. Het gaat eigenlijk veel te goed om met goed fatsoen te kunnen klagen. En het leidt ook tot lastige gewetensvragen: als we zo onzettend goed zijn, waarom zijn we dan geen top-kenniseconomie?

Dat laatste, zei een Rotterdamse topeconoom me gisteren aan de lunch, is niet raar. Wetenschap in Nederland is l’art pour l’art. Onderzoekers werken voor de binnenwereld. Publiceren in geleerde tijdschriften, daar draait alles om. Ze zijn niet zo bezig met het overdragen van hun kennis naar de buitenwereld, laat staan met ondernemen.

Alleen is dat geen kwestie van onwil. Het is een kwestie van overleven in het Nederlandse systeem. Wetenschappers worden letterlijk afgerekend op hoe veel en hoe goed ze publiceren in wetenschappelijke tijdschriften. Publiceren is het enige dat echt telt. En dus publiceren we. Heel veel en heel goed ook.

Zijn Nederlandse wetenschappers dus cynische hobbyisten?

Om de dooie dood niet, benadrukte mijn Rotterdamse lunchgenoot. Afrekenen op publicaties heeft de wetenschap namelijk niet zelf verzonnen. Dat is beleid uit de jaren tachtig. Indertijd waren de universiteiten vergeven van wetenschappelijke staf die de vloedgolven nieuwe studenten les moesten komen geven. Om dat nog enige wetenschappelijke statuur te geven kwam het citaties tellen in zwang. En het afrekenen erop.

Terugkijkend heeft het wetenschapsbeleid een monster gebaard: wetenschap om de wetenschap Maar dat kun je dat monster nauwelijks kwalijk nemen. En al helemaal niet dat het zich met de dingen bezig houdt die het zijn opgedragen.

De oplossing is simpel, zei de lunchgenoot ook. Het beleid moet om. Waardeer formeel gewoon ook de kennisoverdracht van universiteiten naar de buitenwereld. Desnoods middels een werklunch, zonnetje, witte wijn, uitzicht over de Maas en de stad. Heb je er nog lol van ook.