Boek: relatief universum

Andrew Thomas, meldt de flaptekst van zijn intrigerende boek Hidden in Plain Sight, studeerde ooit natuurkunde in het James Clerk Maxwell gebouw in Edinburgh. Nu runt hij een website whatisreality.org, maakt hij digitale kunst en elektronische muziek.

Dat klinkt meer als een amateur dan als de man die de natuurkunde wel even uit zijn huidige existentiele crisis zal trekken. Toch is dat wat hij nadrukkelijk in zijn boekje pretendeert. Iets te nadrukkelijk, misschien. En het idee waarmee hij komt, is haast te simpel voor woorden. Maar het moet gezegd: hij klinkt al met al wel behoorlijk overtuigend. Zijn redenering geeft stof tot nadenken en discussie. Als bijna gratis e-book is Hidden in Plain Sight inmiddels een kleine sensatie.

De moderne natuurkunde, aldus Thomas, wordt verscheurd door het succes van twee theorieën: de relativiteit van Einstein (zwaartekracht dus) en de quantumtheorie van vele anderen. Beide zijn uiterst effectief, maar in hele verschillende domeinen. Zwaartekracht geld voor grote objecten en afstanden; quantum speelt op het allerkleinste niveau. Snaartheorie en de concurrerende loop quantum gravity proberen een diepere theorie te bieden, die de hele natuurkunde op alle niveau’s elegant beschrijft. Maar echt lukken wil dat maar niet, benadrukt Thomas.

Omdat, stelt hij, het verbindende idee ontbreekt. En dat idee is zo voor de hand liggend, dat we het tot nog toe over het hoofd hebben gezien: er is maar een heelal, dat niet voor niets het universum heet. Alles in het heelal is daarom relatief. Maten, tijd, maar ook de eigenschappen van alle deeltjes en hun onderlinge interacties. Alles hangt met alles samen, vormt een eenheid, en Thomas laat met een reeks behoorlijk duizelingwekkende logische denkstappen zien dat daaruit haast vanzelf zwaartekracht en quantumvaagheid (deeltjes in meerdere toestanden tot er gemeten wordt) ontstaan.

Het eerste als een boekhoudtruc van de natuur om alle bewegingen en krachten in ruimtetijd bij te houden zonder almaar alles opnieuw te onthouden; het tweede omdat een geisoleerd deeltje niet lager door alles om hem heen tot een bepaald gedrag wordt gedwongen.

Het klinkt uit Thomas mond logisch, maar dat is het zeker niet en hij erkent zelf al dat veel theoretici waarschijnlijk de schouders zullen ophalen over zijn principe van het relatieve universum. Anderzijds heeft hij wel opgelet in dat Maxwell gebouw, destijds en weet hij duidelijk waarover hij het heeft. Bovendien kan de natuurkunde wel weer eens wat leven in de brouwerij gebruiken.

Andrew Thomas: Hidden in Plain Sight. Pocket: Create Space. 212 pagina’s, 8,55 euro, isbn 978-1469960791. Als Kindle download vrijwel gratis (0,88 euro).

We zijn nu eenmaal een tamelijk verknipt wetenschapsland

Eerder stelden we vast dat ruwweg eenderde van alle wetenschappelijke publicatie in Nederland in de hoek van de geneeskunde en levenswetenschappen ligt. Daarna hebben we nog wat actieve fysici en chemici. En al het andere ligt daar als een kalme laagvlakte omheen. Zo bezien zijn we vooral een land van dokters en nerds.
Bepaalt dat nou ook het imago van wetenschapsland Nederland, vraagt een lezer? Goeie vraag. Het geeft in elk geval aan waar we het drukst mee zijn, als wetenschapsland. Maar misschien niet echt waar we het opvallendst in zijn. Het is het aloude verschil tussen kwantiteit en kwaliteit.
Volgens een grove indeling van dataverzamelaar WTI2 scoren we internationaal als allerbeste op het gebied van landbouwwetenschap en van gedrags- en maatschappijwetenschap. Medisch en natuurwetenschappelijk doen we het leuk, maar zijn we geen koploper. Is dat dan niet wat we echt zijn: een land van boeren en sociologen?
Voor een correct zelfbeeld is misschien nog een andere maatstaf van WTI2 interessant, de onderzoeksspecialisatie-index. Deze OSI is het aandeel publicaties op een bepaald gebied gedeeld door het Nederlandse totaal, vergeleken met het aandeel van dat gebied in de wereldliteratuur.
Volgens die maat zijn we vooral een land van psychologen, met tweemaal zoveel publicaties als je zou verwachten. Wat ook blijkt is dat we inderdaad bovengemiddeld actief zijn in de geneeskundige en biomedische research, ongeveer eenderde meer dan internationaal gangbaar is. Onze landbouwwetenschap zit ongeveer op de wereldnorm. Onze maatschappijwetenschappen pakweg anderhalf keer hoger.
Maar ook opvallend: de natuurkunde. Daar doen we in Nederland zo’n 40 procent minder aan dan elders. Maar kwalitatief is het de parel van de Nederlandse wetenschappen, met citaties tot 1,8 maal het wereldgemiddelde. Net als literatuurwetenschap, overigens, dat zelf tweemaal beter is.
In feite zijn we een tamelijk verknipt wetenschapsland, dat zwaar inzet op het een en vervolgens scoort met iets anders. Dat kun je een systeemfout noemen en er aan willen sleutelen.
Je kunt je ook tijdig realiseren dat kwaliteit en kwantiteit nu eenmaal zelden hetzelfde zijn.

De kwaliteiten van Smeesters

Het meest interessante aan de fraudezaak rond Dirk Smeesters is niet zozeer dat hij onwelgevallige proefpersonen wegmoffelde om tot spannende conclusies te geraken, maar het feit dat hij zegt dat dat normaal is in zijn vakgebied: marketingwetenschappen.

Dat kan twee dingen betekenen: het is waar en de hele marketingwetenschappen berusten op drijfzand en luchtkastelen. De andere mogelijkheid is uiteraard dat Smeesters niet helemaal heeft begrepen hoe zijn collega’s  aan interessante resultaten komen: doordat de data hun hypothese bevestigen.

Ik weet eerlijk gezegd niet welke versie correct is. Echt indrukwekkende inzichten kan ik me van de reclamewetenschappen hoe dan ook niet herinneren. Maar dat een heel vakgebied open en bloot maar wat aanrotzooit wil er eigenlijk ook niet in.

Wel grappig in dit verband is dat de communicatiewetenschappen (daar valt Smeesters werk onder) volgens de cijfers van het ministerie van Onderwijs klein is, maar wel uitzonderlijk goed. Dat maakte ik er althans in eerste instantie uit op. De verzamelde reclamegeleerden publiceren rond de 180 wetenschappelijke artikelen per jaar. Maar die hebben een citatie-impact van 1.68.

Dat is uitzonderlijk hoog.

En het is dus ook gewoon niet waar. In kleine vakgebieden lopen citatie-indices snel hoog op, omdat er maar een beperkte literatuur is om uit te citeren. Gevalletjes ikciteerjou-citeerjijmij zijn dan heel normaal. De zaak Smeesters laat zien dat dat niet hetzelfde is als een hoge wetenschappelijke kwaliteit.

 

 

Waar zijn we eigenlijk zo goed in?

We hebben het al vaker vastgesteld: de Nederlandse wetenschap is knettergoed. Onze universiteiten scoren in rankings opmerkelijk goed als je bedenkt dat we geen engels spreken. Onze onderzoekers behoren tot de meest productieve ter wereld. We publiceren onszelf naar een tiende positie op de wereldranglijsten. En kwalitatief is dat ook nog eens top, met citatiecijfers die beter zijn dan die van de VS.

Ook al vaker vastgesteld: daarmee heeft de Nederlandse wetenschap intern ook een politiek probleem. We zijn zo goed dat klagen over te weinig geld niet veel indruk maakt. Politiek gezien kan het allemaal best een tandje minder, is gemakkelijk het idee. Dan zijn we nog steeds wereldtop en het scheelt een hoop geld.

Onzin natuurlijk, maar zo gaat het. Niet leuk voor individuele onderzoekers en instellingen. En zorgwekkend voor wie denkt dat R&D de motor voor economisch herstel zijn.

Ik vroeg me de laatste dagen vooral iets anders af: waarom we eigenlijk zo goed zijn. Het hele antwoord is nog in ontwikkeling en vergt onderzoek. Maar een aardig begin is een antwoord op de vraag waarin precies we eigenlijk zo goed zijn.

Waar zitten die pieken? Daarvoor zijn de data uitermate nuttig van informatiedatabank WTI2, die de Nederlandse wetenschappen opdeelt in 35 disciplines, van sterrenkunde tot linguistiek.

Afgemeten naar aantallen publicaties kent Nederland eigenlijk maar een hooggebergte: klinische geneeskunde. Daarin wordt eenderde van alle Nederlandse wetenschappelijke publicaties geproduceerd. En goed ook. Kwalitatief anderhalf keer de wereldstandaard, blijkt uit de analyses van Thomson Reuters.

Nog eens pakweg eenderde komt uit de biomedische wetenschappen en de fundamentele levenswetenschappen, die ook goed scoren. Daarna zijn er nog natuurkunde en scheikunde, die een factor drie minder publiceren maar wel nog beter scoren. En dan is het eigenlijk al op.

Het geheim van de Nederlandse wetenschap is dat we een paar immense pieken hebben die alle gemiddelden domineren. Van een afstandje maakt dat ons imposant. Van dichtbij blijkt de meeste Nederlandse wetenschap vooral een laagvlakte. En
Misschien ook zomaar een tranendal.

Creatief met industriele R&D-cijfers

Wie cijfers zoekt over het Nederlandse wetenschapsbestel, kan tegenwoordig niet meer heen om WTI2, de website van Dialogic in Utrecht dat op commando online R&D-data ophoest. Vroeger moest je moeizaam door tabellenboeken ploegen en dikke rapporten. Nu verschijnen de grafieken en diagrammen live, alsof het geen enkele moeite kost.

Dat levert tal van interessante inzichten op. Bijvoorbeeld dat de uitgaven aan R&D sinds de jaren ’90 helemaal niet gedaald zijn, zoals in onderzoekskringen bon ton is om te beweren. In tegendeel. In 1990 gaven we 5 miljard per jaar uit aan onderzoek; in 2009 meer dan het dubbele.

Bedrijven brengen daarvan ongeveer de helft in, in 2010 zo’n 5 miljard per jaar. Dat klinkt indrukwekkender dan het is. Internationaal gezien investeren Nederlandse ondernemers het minst in onderzoek van zo ongeveer iedereen. Bij koplopers als Japan, Korea, de VS en Zwitserland zit zo’n 75 procent van het nationale onderzoeksbudget bij de industrie.

Dat lijkt vooral tot de conclusie te leiden dat vooral de Nederlandse industrie eigenlijk niks ziet in research. En dat terwijl bedrijven voor een miljard per jaar aan researchkosten mogen aftrekken van de belasting. Sinds 2003 is daar zeker 5 miljard ingegaan.

Precies zoals TNO onlangs vaststelde: Nederland is een lamzak als het om research en innovatie gaat. Een middelmatige trendvolger, geen leider, wat we onszelf ook verbeelden.

Daar past Dialogic echter een verrassende mouw aan. Inderdaad is het Nederlandse bedrijfsleven als geheel een slappe  investeerder in research. Dat steekt 1,6 procent van het bbp in nieuwe kennis. Koplopers als Zweden en Finland komen op wel 4 procent.

Maar dat zijn ook heel andere economieen, denkt Dialogic. De meeste Nederlandse bedrijven zijn helemaal niet geinteresseerd in nieuwe kennis en producten, die zijn gewoon lekker hun ding aan het doen met hun klanten.

Afgemeten naar de bedrijven die daadwerkelijk mikken op innovatie is Nederland volgens de statistieken van Dialogic zelfs opeens internationaal koploper in het industrieel investeren in research. Dan komen we op wel 3,4 procent van het bbp. Dat halen zelfs Japan en Finland niet.

Wat dat betekent? Ofwel dat Nederlandse high-tech bedrijven een pluim verdienen. Ofwel dat je met cijfers en voldoende correctiefactoren eigenlijk alles kunt aantonen. En misschien wel allebei.

Hoera: de bijbel is er weer

Vorig najaar kreeg ik er een van directeur Frank Linde van deeltjeslab Nikhef in Amsterdam: mijn eigen deeltjesbijbel. Geen religieus werkje, maar het Particle Physics Booklet van de Particle Data Group. Dat verschijnt iedere twee jaar, en bevat in dundruk en piepklein lettertje alles wat we weten over de wereld van de deeltjes. Editie 2012 is net uit, lees ik.

Iedere deeltjesfysicus schijnt zo’n bijbeltje bij zich te dragen. Dat kan ook makkelijk, al is een loep of bril soms geen overbodige luxe. Editie 2010 telde inclusief notitieruimte achterin 306 pagina’s op het formaat van een kleine zakagenda.

Ik was destijds verguld met het cadeautjes, maar ook verbluft. Niet zozeer omdat je zoveel natuurkunde in zo’n klein boekje kunt persen. Vooral omdat het kennelijk toch nog zoveel pagina’s vergt om weer te geven wat we van de deeltjes weten. Ik dacht eerlijk gezegd dat we daarvoor tegenwoordig aan een paar formules en een lijstje constantes genoeg hebben, qua deeltjes.

Dat is althans waar het altijd maar weer over gaat: dat we sinds de jaren zeventig het Standaard Model van de deeltjesfysica hebben dat haast hinderlijk goed klopt met alle metingen. In Cern zijn ze daarom behalve naar het befaamde Higgsdeeltje vooral ook op zoek naar afwijkingen van het Standaardmodel.

Het Standaardmodel kan namelijk niet het hele verhaal zijn, bijvoorbeeld omdat de zwaartekracht op deeltjesniveau er helemaal niet in zit. Voor de deeltjes is dat niet erg. Maar voor de fysici die de hele Schepping willen doorgronden wel.

Het merkwaardige feit doet zich dus voor dat in de bijbel van de deeltjesfysica het scheppingsverhaal ontbreekt. Ik heb geen signalen dat dat in editie 2012 anders is.

Sterker: het Higgsdeeltje, het deeltje dat alle andere deeltjes massa geeft, staat er ook nog steeds niet in. Wel de aanwijzingen voor een mogelijke signaal (hints) bij een energie van pakweg 125 GeV, gemeten met de twee grote detectoren op Cern in Geneve. Maar meer ook niet.

Binnenkort zitten alle relevante deeltjesfysici in het vliegtuig naar Melbourne, Australie, voor de jaarlijkse internationale zomerconferentie voor de hoge-energiefysica. Er zullen zeker meer data komen over de Higgsjacht en wie weet zelfs iets meer dan een hint. Alle Cern-fysici die ik ken, houden hun kaken momenteel stijf op elkaar.

Ook, vermoed ik, omdat ze er echt nog niet uit zijn: of de Higgs er is of niet. En al hebben ze dus net een vers bijbeltje, doorgaans lijken het me niet de types om te bidden.

Boek: Ja hoor, weer een quotient

Ja hoor, daar gaan we weer, denk je onwillekeurig bij RQ, het nieuwe boek van de Brit Dylan Evans. Weer een quotient. Behalve het aloude (en altijd omstreden) IQ was er al het EQ voor emotionele intelligentie. En dan nu dus ook nog een RQ, een objectief bedoelde maat voor risico-intelligentie van individuen. De argwaan neemt nog toe als Evans een adviesbureau blijkt te runnen. In… RQ-tests.

Toch is Evans’ RQ meer dan een wat dik uitgevallen reclamefolder voor een commercieel handig idee. RQ, maakt hij wel degelijk duidelijk, is een begrip dat enig hout snijdt. Gebaseerd op inschattingen van respondenten over hun zekerheid bij het beantwoorden van vijftig vragen kan Evans een risico-quotient vaststellen dat behoorlijk consistent voorspelt hoe goed iemand risico’s kan inschatten.

Professionele renbaangokkers en weermannen scoren vaak hoog, die zijn goed in wat ze doen. Artsen en bankiers daarentegen bakken er schokkend weinig van. Dat ligt deels aan de soorten informatie waarop ze varen. Maar meer nog ligt het aan het (on)vermogen om te schatten hoe goed hun informatie en inzicht echt zijn. Deels omdat dat moeilijk vast te stellen is, maar deels ook door psychologisch begrijpelijke misverstanden.

Evans (in 2010 de man die werd ontslagen omdat hij een vrouwelijke collega een artikel over orale seks bij vleermuizen toestuurde) stelling is dat iedereen beter risico’s en kansen kan leren schatten, maar dat dat bijvoorbeeld in het reguliere onderwijs schromelijk wordt verwaarloosd.

Hoewel het tamelijk breedsprakige QR wat dat betreft bepaald niet het ideale leerboek is, levert het wel een stortvloed aan inzichten in factoren die ons parten spelen bij het schatten van kansen en risico’s. Kennis van zulke factoren, van wishful thinking tot psychologische vertekeningen, leidt tot slimmer risicoschatten, denkt Evans. Hard maakt hij dat niet echt. Maar zelfs als het niet zo is, is RQ voor zijn ideeen de moeite waard.

Dylan Evans: RQ. Maven Publishing, 326 pp, ISBN 978 94 9057 439 0, euro 22,00

Probeert de computer me iets te vertellen?

Interessante noties, gisteravond in het laatste Kenniscafe in De Balie van voor de zomer. Over de erfenis van Alan Turing (1912-1954), en dus over kunstmatige intelligentie en denkende computers.

Kunnen machines net zo slim worden als wij? Dat is natuurlijk een vraag met haken en ogen. Wat is slim? Zijn we niet geneigd onszelf hoe dan ook slim te vinden, en machines nooit helemaal? En als machines net zo slim zijn als wij, zijn wij dan machines?

Stof zat voor een lekker avondje filosoferen.

Inleider Peter Sloot, hoogleraar computational science aan de UvA, had echter een uitsmijter die minstens zo opwindend was. Ik ben, zei hij, niet zo geinteresseerd in computers die kunnen wat wij ook kunnen. Dat zal wel een keer gebeuren. Nee, zei Sloot, ik wil dat de computer me dingen laat zien die ik niet weet of kan. Ik wil leren van de computer. Zoals je leert van een goeie docent of een briljante collega.

En dat dat moment niet eens zover weg is, staat volgens Sloot ook vast. Vorig jaar vond een computer de bewegingswetten van een dubbele slinger, gewoon door naar de meetdata van de slingerbeweging te kijken. Daar hadden menselijke wetenschappers een halve eeuw over gedaan, en eigenlijk nog veel langer. De computer deed het in een oogwenk.

Sloot voorzag vooral toepassingen in kunstmatige intelligentie in de moderne moleculaire biologie, waar de wetenschap verzuipt in de eiwitdata, maar eigenlijk niet weet wat we daarmee moeten. Wat zijn de hoofdlijnen? Wat is er gaande? Misschien dat de computer niet zozeer het antwoord moet aanreiken, maar vooral de juiste vraag. Die we kennelijk zelf niet goed weten te bedenken.

Dat hele verhaal sloot even grappig als naadloos aan bij wat filosoof Bas Haring maandag over computerkunst vertelde. Jaren geleden al liet Remco Schaa van de UvA computers kunstwerken produceren die een mens niet maken kon. En sterker: die we als mens ook niet meer zo erg als kunst herkenden. Er is een artistiek universum waar we geen weet van hebben. Vol spuuglelijke kunstwerken, dat dan weer wel.

Gaan machines uiteindelijk inzichten en kunst creeren die wij mensen niet meer als zodanig begrijpen? Het zou zomaar kunnen. De enige vraag die dat oproept is of we tegen die tijd niet gewoon zullen concluderen dat de computer rare dingen doet. En hem dus maar uitzetten.

Sterker: proberen al die haperende computers uit het dagelijkse leven ons misschien nu al iets te vertellen dat we gewoon niet helemaal begrijpen? Het is maar een vraag.

Aan moeilijk talent komt NWO niet eens toe

Hij had het natuurlijk al vaker verteld, maar NWO-voorzitter Jos Engelen legde deze week in Museum Boerhaave nog maar eens de vinger op misschien wel de pijnlijkste plek van het Nederlandse wetenschapsbestel. Van het aantal aanvragen van jonge, ambitieuze onderzoekers voor lanceringssubsidies, zei Engelen, kunnen we maar iets van 15 procent honoreren. Terwijl dat kwalitatief echt gemakkelijk het dubbele zou kunnen zijn.

Nederland barst van de wetenschappelijke kwaliteit en ambitie, maar ziet op de een of andere manier de lol er niet aan af. Dat is natuurlijk een drama van jewelste. Voor de wetenschap en voor Nederland, dat volgens de officiele voornemens toch zo graag een kennisland wil zijn. Of worden.

Maar wat eigenlijk ook wel idioot is, is dat kennelijk van de honderd jonge wetenschappers die in het onderzoek willen, er zomaar een stuk of 70 zijn die met voorstellen en plannen komen die niet echt de moeite waard zijn. Is dat echt zo? En zo ja: hoe kan dat?

Een jaar of wat geleden sprak ik voor een grote reportage in de krant een hele reeks jonge onderzoekers die tevergeefs hadden geprobeerd een NWO-startersbeurs binnen te halen. Sommige meer dan eens.

Dat waren pijnlijke gesprekken, want met verliezers.Dat ze toch wilden praten was dapper.

Maar de gesprekken waren ook pijnlijk omdat deze onderzoekers vaak precies wisten waarom ze geen geld hadden gekregen. Niet omdat hun plan niet goed was. Dat was ze vaak zelfs expliciet gezegd. Maar omdat het vaak niet goed paste in de denkkaders van wie hen moesten beoordelen. Ze waren te interdisciplinair. Of juist te weinig. Ze stonden als filosoof voor een commissie vol economen. Of omgekeerd. Ze waren te Nederlands. Of te internationaal. Sommige zelfs gewoon te ambitieus.

Natuurlijk: verliezers houden niet van de jury die hen afwees. Maar ergens zijn al die verliezersverhalen toch ook blijven knagen, al die jaren. Is het drama van de Nederlandse wetenschap niet nog groter dan we toch al denken?

We willen niet alleen niet voor talent betalen. We zien het vermoedelijk ook nog eens voor een flink deel gewoon over het hoofd. Omdat het net wat moeilijker is.

Toch maar eens met Engelen over doorpraten, binnenkort.

Boek: Turings Tango

Natte droom van de nerds, heet het voorlaatste hoofdstuk van Bennie Mols’ nieuwe boek Turings Tango, en tegen die tijd is allang duidelijk dat zulke dromen bepaald de zijne niet zijn. Met name moeten de ideeën het ontgelden van uitvinder Ray Kurzweil, die voorziet dat we binnen een halve eeuw ons lichaam en geest met nanotechnologie, genetica en kunstmatige intelligentie onsterfelijk zullen maken en eeuwig gelukkig.

Het klinkt, concludeert Mols, allemaal reuze als de nieuwste wetenschap. Maar in feite is het holle, religieus getinte rhetoriek. Wat niet wegneemt dat Kurtzweil talloze adepten heeft, een eigen commerciële universiteit, en een lijn met dure gezondheidsproducten. De techniek is er niet aan toe. En wij ook niet.

Turings Tango, naar de tragische Britse grondlegger van de computer Alan Turing (1912-1954), gaat vooral over kunstmatige intelligentie. Computers, is Mols stelling, zijn tot ongekende dingen in staat, zeker. Ze zijn slim en snel en worden nog veel slimmer en sneller.

Maar de mens overvleugelen, zoals zowel de geeks als de zwartkijkers voorzien, is een ander verhaal. De menselijke intelligentie, denkt Mols, is onlosmakelijk verbonden met niet alleen het brein maar ook de rest van ons lichaam, dat ons de werkelijkheid doet ervaren. We zijn nu of binnenkort weliswaar minder snel en minder slim dan computers, maar niettemin intelligenter. Omdat denken geen rekenen is. Voorbeeld bij uitstek is de stofzuigrobot, die zich geregeld klem manoeuvreert op een manier die geen mens ooit zal gebeuren.

Bovendien moeten de verwachtingen over techniek niet te hoog gespannen zijn. Machines, van laptops tot nanorobots, haperen vaker dan leuk is, software barst van de fouten en dagelijkse security updates zijn voor veel systemen geen uitzondering. Reden om je wel tweemaal te bedenken voor je jezelf upload in cyberspace.

Het knappe aan Turing Tango is dat het tegelijk buitengewoon leerzaam is over de technische ontwikkelingen, als een goedgeschreven tirade tegen doordravende techneuten. Een must voor wie de balans zoekt.

Bennie Mols: Turings Tango. Nieuw Amsterdam

Bennie Mols is maandag 18 juni virtueel gast in het KennisCafé in De Balie in Amsterdam, een debatavond over denkende machines. Met verder oa Peter Sloot (UvA), Bas Haring en Catholijn Jonker (TUD). info op www.debalie.nl