De Spinozaprijs: niet meer wat het geweest is?

Maandag was het weer feest in wetenschappelijk Nederland, met de bekendmaking van de Spinozapremies 2012. Tien miljoen euro ging er naar vier uitstekende onderzoekers: microbioloog Mike Jetten, techniekfilosoof Annemarie Mol, wiskundige Ieke Moerdijk en astronoom Xander Tielens. Bij NWO hebben ze de de pest in als je het in dat verband hebt over de Nederlandse Nobelprijs. Maar niet alleen gaat het bedrag van 2,5 miljoen in die richting. De hele operatie Spinoza straalt maar één ding uit: dit zijn de toppen van het academische kunnen in Nederland.

Is dat terecht? Ik nam de lijst van winnaars sinds 1995 er eens even bij en haalde via het Web of Science de gevreesde H-index maar eens van stal. Dat is een maat voor de wetenschappelijke productiviteit van een individuele wetenschapper.

Inderdaad: daar is veel op af te dingen. Wie laag staat, hoeft helemaal niet slecht te zijn. Alfa’s komen bijvoorbeeld veel te weinig voor in de databanken die voor het berekenen van de H-index wordt gebruikt; die publiceren elders en anders. Wiskundigen trouwens ook. En economen.

Maar wie een hoge index heeft, doet het wel goed, in elk geval in zijn eigen vakgebied. Vooral in de medische en exacte wetenschappen is het een prima maat, in elk geval voor vergelijkend warenonderzoek.

In de grafiek, werk van collega Raymond van der Meij dat helaas de krant niet haalde in een uitgebreide Spinozaproductie, zijn de H-indices per jaargang Spinoza gemiddeld. Alfa’s en andere uitbijters zijn weggelaten uit de berekeningen.

Wat opvalt is dat de winnaars van een Spinozapremie zich nergens voor hoeven te schamen. Met een score van rond de 50 gaat het om uitstekende wetenschappers. Nobelprijswinnaars zouden zich er niet voor hoeven te schamen.

Wat ook opvalt is de sterke wisselingen per jaargang. Vooral de laatste jaren vliegt de kwaliteitsmaat alle kanten op, van heel hoog tot betrekkelijk laag. Niet verontrustend. Maar het zou kunnen betekenen dat het meer moeite kost om topwetenschappers voor de prijs te vinden.

Grosso modo vertoont de grafiek zelfs een iets afnemende lijn. Of die echt bestaat, is de vraag. Om te beginnen ontstaat de afname vooral door een opmerkelijk hoog niveau rond het jaar 2000. Misschien is dat de uitzondering.

Bovendien speelt er een tijdseffect in de grafiek: wie in 1995 goed was heeft sindsdien een nog hogere H-index opgebouwd. Nieuwe winnaars moeten dat nog realiseren.

Zijn de Spinozaprijzen niet meer wat het geweest is? Ik betwijfel het. Gaan Spinozapremies dus altijd naar de beste wetenschappers? Dat vast ook niet. Ze gaan gewoon naar puike wetenschappers die wel wegweten met een paar miljoen extra.

Sterker: daar zijn er veel meer van dan drie of vier per jaar.

Een reactie plaatsen

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers op de volgende wijze: