Kennisland Nederland praat zichzelf een probleem aan

Vorige maand somberde TNO een rapport bij elkaar, dat ons wegzet als een innovatievolger met veel ambities en een wat sneue toekomst. Nu is er een studie van patentorganisatie WIPO die Nederland op plaats 6 zet in de wereld ranking van innovatieve landen. Nederland is een topland. Wie heeft er gelijk?

Waarschijnlijk beide. Volgens het TNO-rapport was er sprake van een redelijke toppositie voor Nederland, maar schort het aan de voorwaarden om echte top te worden. Bijvoorbeeld omdat er onvoldoende in R&D wordt geinvesteerd. te weinig in onderwijs. En in het kweken en vasthouden van slimme mensen. Dat baart zorgen. En dus is voor TNO het glas hooguit half leeg.

Patentorganisatie WIPO liet zijn rapport net als voorgaande jaren maken door businessschool INSEAD. Dat legt zich meer toe op de context voor innovatie van landen, dan alleen op het al dan niet aanjagen ervan. Nederland scoort dan hoog, op een zesde plaats na de bekende toplanden als Zwitserland, Zweden, Singapore, Finland en de UK. Zelfs de VS komen pas verderop, op plaats 10. Vorig jaar stonden we nog op 9 in deze Global Innovation Index.

Voor INSEAD is Nederland een topland met wat aandachtspunten.

Nederland, is al met al de conclusie, is wel degelijk kei-innovatief.

Maar, zeggen velen dan meteen: onze relatieve topposities (in wetenschap, in innovatief vermogen) zijn de restanten van betere tijden. Het kan alleen maar minder worden.

Kan. Maar misschien is dat toch ook wel gewoon onnodig somber en praten we vooral onszelf een probleem aan.

Sterker: alle gesomber komt merkwaardig veel spelers in de Nederlandse innovatiesector eigenlijk wel goed uit. TNO bijvoorbeeld. Maar eerder ook de KIA-coalitie van Rinnooy-Kan, VNO-NCW, en de kennissector. Er zijn te veel mensen en instanties die er belang bij hebben dat we met zijn allen denken dat Kennisland Nederland op inklappen staat. In elk geval te veel om dat verhaal zomaar te geloven.

Na de zomer gaan we dat verhaal eens lekker fileren.

Als ik Gerrit Hiemstra was

In eerste instantie denk je dat het een grap is: horeca-uitbaters die zich beklagen over de kwaliteit van het weerbericht. Weermannen, is de bottom-line van de verbolgen betogen (gisteren nog op ons ongeëvenaarde NOS Journaal), zijn te negatief. Als er maar een kansje is op regen morgen, heet het meteen buiig. Dat schrikt mensen af van een dagje naar het strand, waar de paviljoens vervolgens met hun patat en bier blijven zitten. Terwijl het bij nader inzien eigenlijk best lekker weer blijkt.

Dat is inderdaad zuur. Maar de vraag is of dat aan Gerrit Hiemstra en de anderen ligt. Afgezien van hun rituele afsluiting van de bulletins, is hun functie er een van risicobeheersing. Ze informeren me over mogelijk onheil, wat handig kan zijn bij het nemen van besluiten. Aan weermannen die alleen maar mooi weer spelen heb je in dat verband minder dan aan eerlijke weermannen.

Wat mij betreft is er weinig heerlijker dan alle waarschuwingen ten spijt gewoon op pad gaan en nadien vaststellen dat het fantastisch weer is geworden. Maar kennelijk hebben steeds minder mensen dat gevoel voor het avontuur dat het Nederlandse weer nu eenmaal biedt.

We zijn met zijn allen een stel angsthazen geworden die de deur niet meer uit durven voor dat alle seinen op groen staan. Daar hebben de horeca-uitbaters last van. Niet van weermannen die de waarheid spreken. Hetgeen natuurlijk naadloos past in het antiwetenschappelijke sentiment dat ons inmiddels hoe dan ook overspoelt. We mijden liever het echte leven, dan dat we enig risico willen lopen.

Een jaar geleden werden Italiaanse seismologen voor de rechter gesleept omdat ze de aardbeving bij l’Aquila niet hadden aangekondigd. Binnenkort staat hier onze Gerrit Hiemstra voor de rechter omdat hij een bui heeft voorspeld die er niet kwam.

Gerrit kan het kortom nooit goed doen. Altijd mooi weer spelen, kost hem de kop als het slecht blijkt. En altijd somberen is ook dus niet goed.

Als ik Gerrit Hiemstra was, ging ik met pensioen. Dan kijken wij in het vervolg wel op Buienradar. Trouwens hoe dan ook een beter idee, als je er onverhoopt uit moet.

We moeten wetenschap gewoon onderwijs noemen

Interessante cijfers van de OECD, onlangs, waarvan ik me afvraag of die nu en dan niet eens opening krant zouden moeten zijn. Wat is het rendement van hoger onderwijs? Enorm, rekent de OECD voor. Hoger onderwijs kost een hoop. Maar het levert zowel de student persoonlijk als de samenleving voor de rest van hun leven voordeel op. Gemiddeld kost een hogere opleiding 30 duizend dollar meer dan een lagere. Gemiddeld levert die dik 90 duizend dollar meer op, aan persoonlijke inkomsten. En dus deels ook aan inkomensbelasting.

Natuurlijk, zulke cijfers zijn een modderpoel van discutabele aannames en afwegingen. Bovendien zijn ze wel erg algemeen. Maar de boodschap is helder: een samenleving heeft wat aan hoger onderwijs.

Ook Nederland. Volgens de OECD besteedt de overheid per HO-student rond de 60 duizend dollar extra, en haalt daarop 160 duizend dollar terug. Bijna een factor drie zoveel dus. Netto winst: ruim 95 duizend dollar per opgeleide student. We staan ermee in de top-10 van OECD-landen met een rendabel hoger-onderwijsstelsel.

Ten eerst is natuurlijk de vraag waarom er in dit land überhaupt wordt gemekkerd over de kosten van hoger onderwijs. Er zijn weinig overheidsinvesteringen die zo goed renderen. Zelfs als we het geld ervoor moeten lenen, kunnen we het gemakkelijk terugbetalen. Inclusief de rente.

Op persoonlijk vlak is dat niet anders. Een hogere opleiding kost grosso modo drie ton en brengt bijna vier ton extra op, vergeleken met lagere opleidingen. Rendement een ton. Een beter argument voor het leenstelsel, mits op de persoon toegesneden, is er niet. En tegen de langstudeerboete, trouwens.

Zulke cijfers maken ook de discussie over de waarde van de wetenschap misschien wat anders dan je geneigd bent te denken. Meestal gaat het daar over de academische of zelfs cultuurhistorische waarde van de wetenschap (Nederland is een topland!) of de innovatiewaarde (Nederland is een middenmoter en een zorgenkind). Al naar gelang de ideologische veren van de spreker telt het een zwaarder dan het andere.

Het is tijd voor een beter perspectief. Wetenschappelijk onderzoek is gewoon een onderdeel van het systeem van hoger onderwijs. Via de wetenschap leren mensen zindelijk denken en wat je aan systematische nieuwsgierigheid hebt. Dat kost wat. Maar dan heb je ook wat.

Ze moeten gewoon niet van die moeilijke dingen ontdekken

Het blijft interessant om te zien wat de massamedia maken van een monumentaal wetenschapsmoment als de ontdekking van het Higgsboson vandaag. Heel wat, is mijn indruk. Men lijkt te beseffen dat er iets memorabels aan de hand is. En dat je zoiets hoort te melden. Bovendien waren er behoorlijke pogingen om een en ander uit te leggen.

Maar misschien is dat ook maar vooral lippendienst. Tegelijk blijven de media hun publiek namelijk systematisch onderschatten. Presentatoren en eindredacteuren blijven hun gasten en redacteuren maar inpeperen dat ze zelf dus enorme alfa’s zijn en dat er dus niet te moeilijk moet worden gedaan.

Veronderstelling daarbij is dat ze spreken namens hun kijkers en lezer, van wie je kennelijk niet mag verwachten dat die af en toe best zijn aandacht en verstand wil gebruiken.

Het probleem is evenwel niet dat wetenschappers moeilijk doen. Het punt is vooral dat wetenschap vaak over moeilijke dingen gaat. Dingen die je niet in een keer begrijpt, of eigenlijk al weet. Dingen die je even op je moet laten inwerken.

Sterker, dat is zelfs de crux van echte wetenschap. En dus ook het spannende.

Maar media willen die spanning niet aan. Eigenlijk komt het er dus op neer dat wetenschappers gewoon niet van die moeilijke dingen moeten ontdekken.

Kan. Maar lijkt me erg saai.

Hebben ze dat Higgsding nou alweer ontdekt? (3)

Een Higgsdeeltje ontdek je niet zomaar, door het te vinden. Het deeltje ontstaat in theorie heel nu en dan als protonen botsen. Het valt daarna direct uit elkaar, in brokstukken die ook op allerlei andere manieren bij de botsingen kunnen ontstaan. Opgave aan de deeltjesjager is dus om in een stortvloed van signalen op te merken dat sommige signalen net wat harder klinken dan normaal.

Dat maakt het niet alleen een kwestie van veel statistiek. Maar ook een kwestie van heel veel theorie. Hoe klinken de signalen zonder Higgs? En hoe met?

Je zou denken: de fysici hebben intussen een halve eeuw de tijd gehad om daar over na te denken. Maar meer dan een fysicus in CERN-kringen vertelde me gisteren dat het allemaal zo helder niet ligt. Zelfs als er in de LHC-grafieken hobbeltjes worden gezien die statistisch werkelijk iets betekenen, is de ontdekking van de Higgs geen uitgemaakte zaak.

Volgens sommige theoretici kunnen de hobbeltjes namelijk ook door iets anders dan het eenvoudigste Higgsdeeltje worden veroorzaakt en kan er dus nog geen claim worden gelegd.

Op zich een verstandige houding, lijkt het. Ik zou als CERN ook niet graag de vondst van een deeltje claimen waar decennia op gejaagd is, en het dan toch weer moeten afserveren. En waarom ook haasten? Maandag kwam het goeie ouwe Fermilab met zijn eigen glimp van het Higgsdeeltje, maar geen bewijs. Er is geen enkele andere versneller dan de LHC die de Higgs kan vinden.

Anderzijds wordt de irritatie op CERN er hoorbaar niet minder op, vooral bij de experimentatoren. Hebben ze eindelijk beet, blijken de theoreten toch weer roet in het eten te kunnen gooien.

Wat zich hier wreekt is dat CERN en de rest van de deeltjesfysici zich de laatste decennia publicitair helemaal hebben opgeknoopt aan de heroïsche speurtocht naar de Higgs. Dat leverde een mooi eenduidige verhaal op, en een hoop suspense. Maar ook het probleem dat het echte verhaal van de Higgs stukken ingewikkelder is dan wat in normale krantenkolommen past.

Hebben ze dat Higgsding nou alweer ontdekt? (2)

Morgen 9.00 uur dus een seminar op CERN, waar ATLAS en CMS hun nieuwste analyses van de jacht op het Higgs-deeltje presenteren. Op instituten als het Nikhef in Amsterdam en DESY in Hamburg kunnen belangstellenden via een webcast meekijken en plaatselijke deskundigen spreken. Ik zit in Amsterdam, en twitter u waarschijnlijk live helemaal gek.

Persoonlijk kijkt ik erg uit naar Ivo van Vulpen van de Universiteit van Amsterdam, die eerder dit jaar in het Trippenhuis een fantastische presentatie van de resultaten van december gaf. Haarfijn legde hij daar uit dat je de Higgs nooit rechtstreeks ziet, maar alleen de brokstukken waarin hij meteen uit elkaar valt. Dat die brokstukken ook uit allerlei andere processen vrijkomen in de protonbotsingen in de LHC-versneller. En dat het ontdekken van de Higgs dus een kwestie is van statistiek: zie ik een patroon in de brokstukken dat ik zonder Higgs niet zou zien?

Veel van de ontdekking komt dus aan op de vraag of je begrijpt wat je ziet. Het is als een grasveld waar je met je neus plat in ligt. Sommige sprieten zijn hoger dan andere. Zo gaat dat met gras. Maar dan wist er iemand naar een plek in het gras en beweert dat er een hobbel in de bodem zit. Vraag is dan niet alleen of er op die plek een verhoging in het gras te zien is, maar ook of die echt afwijkt van de normale variaties in de hoogte. Je moet gras dus begrijpen, om te beoordelen of er een hobbel onder het gras zou kunnen zitten.

Bottom line van zijn verhaal was dat er mogelijk iets te zien was in de veronderstelling dat het Higgsdeeltje 125 GeV massa heeft, maar dat het bewijs nog te zwak was. De hobbeltjes in het grasveld van signalen konden ook gewoon toeval zijn. Meer metingen, is het idee, vagen een toevallig signaal weer gewoon weg. Meer metingen maken een echt signaal steviger.

Die metingen zijn er nu. Sinds december heeft de LHC-versneller harder en intensiever gedraaid en zijn er tweemaal zoveel data als toen. Als de signalen in december echt waren, zou je met tweemaal zoveel data ongeveer wortel twee keer betere statistiek verwachten. Iets meer dan anderhalf maal beter dus. Bij aanwijzingen met 3,6 sigma komt dan al snel in de richting van 5 sigma. Dat durven de meeste fysici wel een ontdekking te noemen.

Als ATLAS en CMS morgen dus nog steeds piekjes zien bij pakweg 125 GeV massa, is de kans aanzienlijk dat ze een paar zinnen later de ontdekking van de Higgs claimen. Of net niet.

Peter Higgs zal op de eerste rij zitten. 83 jaar is hij. Hoe dan ook mooi dat hij dit nog mag meemaken.

Hebben ze dat Higgsding nou alweer ontdekt? (1)

Niet alleen natuurkundigen krijgen een beetje de zenuwen van het Higgs-deeltje. Ook als journalist zijn het letterlijk adembenemende tijden. Niet vanwege de natuurkunde zelf, al valt het nooit mee om die aan nieuwsvermoedende lezers uit te leggen. Wel vanwege de vraag hoe je het überhaupt nu weer de krant in krijgt.

De buitenwacht, namelijk, is eigenlijk allang weer klaar met het Higgs-deeltje. Vorig jaar december was er die persaankondiging van CERN en de detectorgroepen van ATLAS en CMS over aanwijzingen voor het bestaan van de Higgs. Dat hebben we breed uitgemeten en terecht. Grote stukken in de krant. Foto’s van opgewonden fysici. Het Journaal.

Het gevolg is echter wel dat de krantenlezer onthouden heeft dat dat malle deeltje ontdekt is, of in elk geval toch wel zo’n beetje.

Gisteren bleek hoe zoiets zich tegen zichzelf kan keren. Hoe ga je naar de newsdesk en vertel je dat een deeltje dat al zo’n beetje ontdekt was, waarschijnlijk weer een beetje meer ontdekt is? Deeltjes gelden daar sowieso al als een exotische hobby. Maar een beetje meer ontdekt?

Je ziet ze denken: wat zaniken die natuurkundigen nou nog?

Het probleem is dat publieksmedia de neiging hebben de eerste aanwijzingen als ontdekking aan te merken omdat we nu eenmaal van sterk en helder nieuws houden. Dan moet je niet aankomen met 2,5 of 3,6 sigma dat nog geen vijf sigma is en dat alleen meer data de signaal-ruis verhouding voldoende kunnen drukken. Nee, media zijn geinteresseerd in de Hamlet-vraag, zoals Symmetry Magazine het uitdrukte: to be or not to be.

Woensdagochtend 9 uur wordt op een seminar op CERN de laatste stand van de Higgs-search onthuld. Dikke kans dat men de signalen uit december inderdaad bevestigt met hogere statistische zekerheid. Misschien zelfs wel 5 sigma, de waarschijnlijkheid die nodig is om te spreken van een ontdekking.

De buitenwereld zal vooral denken: hebben ze dat Higgsding nou alweer ontdekt? Het antwoord is in feite: ja, maar nu echt. Waarbij het de kunst wordt het zo op te schrijven dat lezers niet denken: in december hebben ze me toch een beetje voor de gek gehouden.

Ik moet er eigenlijk niet aan denken dat we morgenochtend ‘meer aanwijzingen’ voor de Higgs krijgen, maar nog steeds geen ontdekking. En dat CERN gewoon lekker verder jaagt. Hoe moet ik dan over weer een jaar nog naar de newsdesk? En naar mijn lezers?