Debunken voor beginners

Je zou denken dan www.skepticalscience.com een website is waar aan alles waar het woord klimaat in voorkomt, wordt getwijfeld. Maar het tegendeel is waar. De site is een wapenkamer voor wie klimaatsceptici de oren wil wassen. Geen kletsverhaal zo bont, of de makers weten er wel raad mee.

Dat is handig, voor als de pathologische twijfelaars voor de zoveelste keer toeslaan en je eens een keer even geen zin hebt om aan de bak te gaan. Nog interessanter en leerzamer, is echter dat de site ook zelf aan theorievorming doet. Niet over klimaat. Wel over de aanpak van klimaatsceptici.

Een en ander is verpakt in een handzame brochure, het Debunking Handbook van John Cook en Stephan Lewandowsky, die een keur aan do’s en don’ts levert voor een effectief debat met klimaatsceptici. Gratis te downloaden.

Klimaatsceptici grossieren in losse eindjes en bouwen daar hapklare mythes omheen. Dat het klimaat niet verandert. Dat het altijd verandert. Dat het de zon is. Dat er geen consensus is. Dat het maar modellen zijn. Dat het niet erg is. Dat de natuur zich wel aanpast. Dat het kouder wordt. Dat het Zuidpoolijs groeit.

Hoe dit te lijf te gaan? De goeddeels psychologische lessen in het handboek zijn eigenlijk te simpel voor woorden. .1 Negeer de onzin die je wilt bestrijden, breng je eigen boodschap. 2. Geef nooit te veel informatie tegelijk, meer is doorgaans vooral minder. 3. Negeer de die-hard tegenstanders, concentreer je op de onbesliste meerderheid. En 4. bied een helder alternatief voor wat je debunkt.

Belangrijke vuistregels en dus een must-read. Met name voor wetenschappers, die vaak hardnekking blijven denken dat feiten beslissend zijn. Waardoor ze tegen liegende opponenten eigenlijk geen verweer hebben.

Komt het nu dus allemaal goed? Dat lijkt me ook sterk. Al was het maar omdat klimaatsceptici precies dezelfde psychologische vuistregels gebruiken om de argeloze aardbewoner een oor aan te naaien. Sterker, dat doen ze al jaren.

Advertenties

Bernard Wientjes snapt het niet

De satirici van De Speld hadden het kunnen bedenken. Maar het staat er echt, op de website Science Guide: werkgeversvoorman Bernard Wientjes zegt dat hij in een nieuwe kabinetsperiode de hele wetenschap wil weghalen bij het ministerie van OCW. En het onderbrengen bij Economische Zaken, de laatste jaren trouwens EL&I geheten.

Daar, zegt de VNO-NCW-baas in het bericht, hebben ze immers wel verstand van innovatie. En bij het ministerie van Onderwijs niet.

Dat laatste is natuurlijk waar. Innovatie is geen hoofdzaak voor Onderwijs. Dat is namelijk onderwijs.

Wat mooi uitkomt, dant wetenschap ís onderwijs. Onderzoek is voor het hoger onderwijs een spin-off. Het is wat er gebeurt als je universiteiten hebt waar slimme mensen nieuwe slimme mensen opleiden. Die leer je het beste nadenken door onderzoek te doen naar wat we nog niet weten. Wat ze ontdekken noemen we wetenschap.

Dat uit dat procede geregeld dingen komen die bruikbaar zijn voor de rest van de samenleving in mooi meegenomen en vooral achteraf ook een prima rechtvaardiging voor het investeren in wetenschap. Een extra rechtvaardiging eigenlijk: want nieuwe generaties slimme mensen is waar het hoger onderwijs natuurlijk echt om draait. Die zijn veel meer waard, dan een nieuwe high-tech broodrooster.

Bij EL&I zien ze dat natuurlijk heel anders. Die willen vooral nieuwe broodroosters, made in Holland. En verkeren in de veronderstelling dat je die bij de wetenschap kunt bestellen. Dat kan inderdaad. Sterker: het is helemaal niet verkeerd om iets te willen hebben aan wat de wetenschap uitspookt.

Maar wetenschap is veel meer dan nieuwe broodroosters. Het is de belangrijkste bijzaak van goed hoger onderwijs. Niet meer en niet minder.

Het antwoord op Wientjes plannetje is dus eenvoudig. Wetenschap hoort juist bij OCW omdat ze daar meer verstand hebben van onderwijs, dan bij Economische Zaken. Laat de industrie zijn eigen broodroosters maar bedenken.

Iedere gek kan een tijdschrift beginnen

Is open-access publiceren nou wel of niet een goed idee? In principe een goed idee. Wetenschap is het delen van inzicht. Daar past open communicatie bij, dus dat wetenschappelijke publicaties voor iedereen te lezen zijn. En dus niet dat je daarvoor eerst een peperduur abonnement moet afsluiten, of per artikel afrekenen met de uitgever.

Bovendien kan het gemakkelijk anders. Zeker via internet is iedere publicatie gewoon beschikbaar te maken. Beoordelen, redigeren, publiceren kost natuurlijk geld. Maar dat kan ook gewoon door de auteurs en hun instituut worden betaald. Als er geen dure abonnementen meer zijn, houden ze per saldo misschien zelfs wel geld over.

Zo maar doen dan?

Uitgerekend in het onvolprezen wetenschapsblad/blog The Scientist beginnen de laatste tijd twijfels door te sijpelen over het nobele idee van open-access. De Amerikaanse databibliothecaris Jeffrey Beall beschreef bijvoorbeeld zijn ervaringen met piraterij op de OA-markt. Hij heeft inmiddels tientallen gevallen gezien van loze titels die niet-vermoedende wetenschappers duizenden dollars aftroggelen en er in feite niets voor leveren. Geen redactie, geen review, geen archief, geen plan voor toegankelijkheid op de lange termijn, niks.

Het wetenschappelijke uitgeven bevindt zich zo langzamerhand in een overgangsfase, en dan is chaos haast onvermijdelijk. Maar, waarschuwt Beall, de radicale voorstanders van open access moeten uitkijken dat het kind niet met het badwater wordt weggegooid. Iedere gek met een computer kan een open-access tijdschrift beginnen. Als dat het nieuwe uitgeven is, hoeft het van Beall niet echt.

Het doet allemaal erg denken aan Elschots Algemeen Wereldtijdschrift  voor  FinanciënHandelNijverheidKunsten  en  Wetenschappen, dat ondernemers een poot uitdraaide door ze te laten betalen voor een artikel over hun bedrijf in een tijdschrift waarvan ze zelf de hele oplage betaalden.

Dat was 1924 en fictie. Maar de vraag blijft wel degelijk wat het werkelijke verschil is met het gangbare uitgeefsysteem in de wetenschap, waarbij uitgevers lezers veel te veel geld vragen voor kennis die doorgaans met belastinggeld is geproduceerd.

Het lijkt me al met al vooral hoog tijd dat de erkende wetenschappelijke uitgevers als Elsevier overstappen op open-access. En dat de luidruchtige aanhangers van open-access (inmiddels staat de teller van de Elsevier-boycotters http://thecostofknowledge.com/ op meer dan twaalfduizend) ze die kans ook geven.

Wat doet Utrecht eigenlijk zo goed?

De jaarlijkse Shanghai Ranking van beste universiteiten werd woensdag zo naarstig bekeken, dat de servers ervan haperden. Waarom is me eigenlijk een raadsel. Er is namelijk geen spat veranderd in vergelijking met de ranglijst van 2011. Of van 2010. Harvard is de allerbeste. Dan komt Stanford.

En na enkele tientallen andere Angelsaksische universiteiten komt dan eindelijk Utrecht als beste Nederlandse instelling. Plaats 53. Op iets van 30 procent van de echte topscore. Leiden staat op 73. Alle anderen komen pas voorbij positie 100.

Die positie van Utrecht is natuurlijk een geschenk uit de hemel voor de instelling zelf. En aangezien Utrecht al tien jaar als beste Nederlander uit de bus komt, zal het ook wel terecht zijn. Utrecht is kennelijk goed. De ongemakkelijke vraag is alleen waarin? Waarom is Utrecht de beste van Nederland?

De Shanghai Ranking is een duivelse mix van parameters voor de kwaliteit van onderwijs, van de staf, van de output, van de instelling en per staflid. Onderwijskwaliteit wordt gemeten als het aantal Nobelprijswinnaars van de instelling, na 1991. Stafkwaliteit aan de hand van het aantal Nobelprijswinnaars of winnaars van een Fieldsmedal, en het aantal veelgeciteerde onderzoekers. De output wordt gemeten aan de hand van het aantal papers in Science en Nature, en het aantal officieel gepubliceerde papers.

Waar zit Utrecht dan zo bijzonder goed? Ze publiceren veel, maar dat doen anderen ook. Ze halen relatief veel Science en Nature, maar dat doen anderen ook. Ze worden relatief vaak geciteerd, maar dat hebben anderen ook. En eerlijk gezegd produceren ze per staflid nou net wat minder dan de anderen.

Wat maakt Utrecht dan goed? In feite komt het allemaal maar op één ding neer: recente Nobelprijswinnaars. Utrecht won in 1999 met ’t Hooft en Veltman, en in 1995 ook met Crutzen. Volgens de logica van Shanghai dragen zij kwalitatief de instelling.

Of je daar als ambitieuze student werkelijk iets aan hebt, lijkt me de vraag. Het drietal is allang met pensioen. Maar sjiek staat het zeker.

Kennisland Nederland praat zichzelf een probleem aan

Vorige maand somberde TNO een rapport bij elkaar, dat ons wegzet als een innovatievolger met veel ambities en een wat sneue toekomst. Nu is er een studie van patentorganisatie WIPO die Nederland op plaats 6 zet in de wereld ranking van innovatieve landen. Nederland is een topland. Wie heeft er gelijk?

Waarschijnlijk beide. Volgens het TNO-rapport was er sprake van een redelijke toppositie voor Nederland, maar schort het aan de voorwaarden om echte top te worden. Bijvoorbeeld omdat er onvoldoende in R&D wordt geinvesteerd. te weinig in onderwijs. En in het kweken en vasthouden van slimme mensen. Dat baart zorgen. En dus is voor TNO het glas hooguit half leeg.

Patentorganisatie WIPO liet zijn rapport net als voorgaande jaren maken door businessschool INSEAD. Dat legt zich meer toe op de context voor innovatie van landen, dan alleen op het al dan niet aanjagen ervan. Nederland scoort dan hoog, op een zesde plaats na de bekende toplanden als Zwitserland, Zweden, Singapore, Finland en de UK. Zelfs de VS komen pas verderop, op plaats 10. Vorig jaar stonden we nog op 9 in deze Global Innovation Index.

Voor INSEAD is Nederland een topland met wat aandachtspunten.

Nederland, is al met al de conclusie, is wel degelijk kei-innovatief.

Maar, zeggen velen dan meteen: onze relatieve topposities (in wetenschap, in innovatief vermogen) zijn de restanten van betere tijden. Het kan alleen maar minder worden.

Kan. Maar misschien is dat toch ook wel gewoon onnodig somber en praten we vooral onszelf een probleem aan.

Sterker: alle gesomber komt merkwaardig veel spelers in de Nederlandse innovatiesector eigenlijk wel goed uit. TNO bijvoorbeeld. Maar eerder ook de KIA-coalitie van Rinnooy-Kan, VNO-NCW, en de kennissector. Er zijn te veel mensen en instanties die er belang bij hebben dat we met zijn allen denken dat Kennisland Nederland op inklappen staat. In elk geval te veel om dat verhaal zomaar te geloven.

Na de zomer gaan we dat verhaal eens lekker fileren.

Als ik Gerrit Hiemstra was

In eerste instantie denk je dat het een grap is: horeca-uitbaters die zich beklagen over de kwaliteit van het weerbericht. Weermannen, is de bottom-line van de verbolgen betogen (gisteren nog op ons ongeëvenaarde NOS Journaal), zijn te negatief. Als er maar een kansje is op regen morgen, heet het meteen buiig. Dat schrikt mensen af van een dagje naar het strand, waar de paviljoens vervolgens met hun patat en bier blijven zitten. Terwijl het bij nader inzien eigenlijk best lekker weer blijkt.

Dat is inderdaad zuur. Maar de vraag is of dat aan Gerrit Hiemstra en de anderen ligt. Afgezien van hun rituele afsluiting van de bulletins, is hun functie er een van risicobeheersing. Ze informeren me over mogelijk onheil, wat handig kan zijn bij het nemen van besluiten. Aan weermannen die alleen maar mooi weer spelen heb je in dat verband minder dan aan eerlijke weermannen.

Wat mij betreft is er weinig heerlijker dan alle waarschuwingen ten spijt gewoon op pad gaan en nadien vaststellen dat het fantastisch weer is geworden. Maar kennelijk hebben steeds minder mensen dat gevoel voor het avontuur dat het Nederlandse weer nu eenmaal biedt.

We zijn met zijn allen een stel angsthazen geworden die de deur niet meer uit durven voor dat alle seinen op groen staan. Daar hebben de horeca-uitbaters last van. Niet van weermannen die de waarheid spreken. Hetgeen natuurlijk naadloos past in het antiwetenschappelijke sentiment dat ons inmiddels hoe dan ook overspoelt. We mijden liever het echte leven, dan dat we enig risico willen lopen.

Een jaar geleden werden Italiaanse seismologen voor de rechter gesleept omdat ze de aardbeving bij l’Aquila niet hadden aangekondigd. Binnenkort staat hier onze Gerrit Hiemstra voor de rechter omdat hij een bui heeft voorspeld die er niet kwam.

Gerrit kan het kortom nooit goed doen. Altijd mooi weer spelen, kost hem de kop als het slecht blijkt. En altijd somberen is ook dus niet goed.

Als ik Gerrit Hiemstra was, ging ik met pensioen. Dan kijken wij in het vervolg wel op Buienradar. Trouwens hoe dan ook een beter idee, als je er onverhoopt uit moet.

We moeten wetenschap gewoon onderwijs noemen

Interessante cijfers van de OECD, onlangs, waarvan ik me afvraag of die nu en dan niet eens opening krant zouden moeten zijn. Wat is het rendement van hoger onderwijs? Enorm, rekent de OECD voor. Hoger onderwijs kost een hoop. Maar het levert zowel de student persoonlijk als de samenleving voor de rest van hun leven voordeel op. Gemiddeld kost een hogere opleiding 30 duizend dollar meer dan een lagere. Gemiddeld levert die dik 90 duizend dollar meer op, aan persoonlijke inkomsten. En dus deels ook aan inkomensbelasting.

Natuurlijk, zulke cijfers zijn een modderpoel van discutabele aannames en afwegingen. Bovendien zijn ze wel erg algemeen. Maar de boodschap is helder: een samenleving heeft wat aan hoger onderwijs.

Ook Nederland. Volgens de OECD besteedt de overheid per HO-student rond de 60 duizend dollar extra, en haalt daarop 160 duizend dollar terug. Bijna een factor drie zoveel dus. Netto winst: ruim 95 duizend dollar per opgeleide student. We staan ermee in de top-10 van OECD-landen met een rendabel hoger-onderwijsstelsel.

Ten eerst is natuurlijk de vraag waarom er in dit land überhaupt wordt gemekkerd over de kosten van hoger onderwijs. Er zijn weinig overheidsinvesteringen die zo goed renderen. Zelfs als we het geld ervoor moeten lenen, kunnen we het gemakkelijk terugbetalen. Inclusief de rente.

Op persoonlijk vlak is dat niet anders. Een hogere opleiding kost grosso modo drie ton en brengt bijna vier ton extra op, vergeleken met lagere opleidingen. Rendement een ton. Een beter argument voor het leenstelsel, mits op de persoon toegesneden, is er niet. En tegen de langstudeerboete, trouwens.

Zulke cijfers maken ook de discussie over de waarde van de wetenschap misschien wat anders dan je geneigd bent te denken. Meestal gaat het daar over de academische of zelfs cultuurhistorische waarde van de wetenschap (Nederland is een topland!) of de innovatiewaarde (Nederland is een middenmoter en een zorgenkind). Al naar gelang de ideologische veren van de spreker telt het een zwaarder dan het andere.

Het is tijd voor een beter perspectief. Wetenschappelijk onderzoek is gewoon een onderdeel van het systeem van hoger onderwijs. Via de wetenschap leren mensen zindelijk denken en wat je aan systematische nieuwsgierigheid hebt. Dat kost wat. Maar dan heb je ook wat.

Boek: relatief universum

Andrew Thomas, meldt de flaptekst van zijn intrigerende boek Hidden in Plain Sight, studeerde ooit natuurkunde in het James Clerk Maxwell gebouw in Edinburgh. Nu runt hij een website whatisreality.org, maakt hij digitale kunst en elektronische muziek.

Dat klinkt meer als een amateur dan als de man die de natuurkunde wel even uit zijn huidige existentiele crisis zal trekken. Toch is dat wat hij nadrukkelijk in zijn boekje pretendeert. Iets te nadrukkelijk, misschien. En het idee waarmee hij komt, is haast te simpel voor woorden. Maar het moet gezegd: hij klinkt al met al wel behoorlijk overtuigend. Zijn redenering geeft stof tot nadenken en discussie. Als bijna gratis e-book is Hidden in Plain Sight inmiddels een kleine sensatie.

De moderne natuurkunde, aldus Thomas, wordt verscheurd door het succes van twee theorieën: de relativiteit van Einstein (zwaartekracht dus) en de quantumtheorie van vele anderen. Beide zijn uiterst effectief, maar in hele verschillende domeinen. Zwaartekracht geld voor grote objecten en afstanden; quantum speelt op het allerkleinste niveau. Snaartheorie en de concurrerende loop quantum gravity proberen een diepere theorie te bieden, die de hele natuurkunde op alle niveau’s elegant beschrijft. Maar echt lukken wil dat maar niet, benadrukt Thomas.

Omdat, stelt hij, het verbindende idee ontbreekt. En dat idee is zo voor de hand liggend, dat we het tot nog toe over het hoofd hebben gezien: er is maar een heelal, dat niet voor niets het universum heet. Alles in het heelal is daarom relatief. Maten, tijd, maar ook de eigenschappen van alle deeltjes en hun onderlinge interacties. Alles hangt met alles samen, vormt een eenheid, en Thomas laat met een reeks behoorlijk duizelingwekkende logische denkstappen zien dat daaruit haast vanzelf zwaartekracht en quantumvaagheid (deeltjes in meerdere toestanden tot er gemeten wordt) ontstaan.

Het eerste als een boekhoudtruc van de natuur om alle bewegingen en krachten in ruimtetijd bij te houden zonder almaar alles opnieuw te onthouden; het tweede omdat een geisoleerd deeltje niet lager door alles om hem heen tot een bepaald gedrag wordt gedwongen.

Het klinkt uit Thomas mond logisch, maar dat is het zeker niet en hij erkent zelf al dat veel theoretici waarschijnlijk de schouders zullen ophalen over zijn principe van het relatieve universum. Anderzijds heeft hij wel opgelet in dat Maxwell gebouw, destijds en weet hij duidelijk waarover hij het heeft. Bovendien kan de natuurkunde wel weer eens wat leven in de brouwerij gebruiken.

Andrew Thomas: Hidden in Plain Sight. Pocket: Create Space. 212 pagina’s, 8,55 euro, isbn 978-1469960791. Als Kindle download vrijwel gratis (0,88 euro).

We zijn nu eenmaal een tamelijk verknipt wetenschapsland

Eerder stelden we vast dat ruwweg eenderde van alle wetenschappelijke publicatie in Nederland in de hoek van de geneeskunde en levenswetenschappen ligt. Daarna hebben we nog wat actieve fysici en chemici. En al het andere ligt daar als een kalme laagvlakte omheen. Zo bezien zijn we vooral een land van dokters en nerds.
Bepaalt dat nou ook het imago van wetenschapsland Nederland, vraagt een lezer? Goeie vraag. Het geeft in elk geval aan waar we het drukst mee zijn, als wetenschapsland. Maar misschien niet echt waar we het opvallendst in zijn. Het is het aloude verschil tussen kwantiteit en kwaliteit.
Volgens een grove indeling van dataverzamelaar WTI2 scoren we internationaal als allerbeste op het gebied van landbouwwetenschap en van gedrags- en maatschappijwetenschap. Medisch en natuurwetenschappelijk doen we het leuk, maar zijn we geen koploper. Is dat dan niet wat we echt zijn: een land van boeren en sociologen?
Voor een correct zelfbeeld is misschien nog een andere maatstaf van WTI2 interessant, de onderzoeksspecialisatie-index. Deze OSI is het aandeel publicaties op een bepaald gebied gedeeld door het Nederlandse totaal, vergeleken met het aandeel van dat gebied in de wereldliteratuur.
Volgens die maat zijn we vooral een land van psychologen, met tweemaal zoveel publicaties als je zou verwachten. Wat ook blijkt is dat we inderdaad bovengemiddeld actief zijn in de geneeskundige en biomedische research, ongeveer eenderde meer dan internationaal gangbaar is. Onze landbouwwetenschap zit ongeveer op de wereldnorm. Onze maatschappijwetenschappen pakweg anderhalf keer hoger.
Maar ook opvallend: de natuurkunde. Daar doen we in Nederland zo’n 40 procent minder aan dan elders. Maar kwalitatief is het de parel van de Nederlandse wetenschappen, met citaties tot 1,8 maal het wereldgemiddelde. Net als literatuurwetenschap, overigens, dat zelf tweemaal beter is.
In feite zijn we een tamelijk verknipt wetenschapsland, dat zwaar inzet op het een en vervolgens scoort met iets anders. Dat kun je een systeemfout noemen en er aan willen sleutelen.
Je kunt je ook tijdig realiseren dat kwaliteit en kwantiteit nu eenmaal zelden hetzelfde zijn.

Hoera: de bijbel is er weer

Vorig najaar kreeg ik er een van directeur Frank Linde van deeltjeslab Nikhef in Amsterdam: mijn eigen deeltjesbijbel. Geen religieus werkje, maar het Particle Physics Booklet van de Particle Data Group. Dat verschijnt iedere twee jaar, en bevat in dundruk en piepklein lettertje alles wat we weten over de wereld van de deeltjes. Editie 2012 is net uit, lees ik.

Iedere deeltjesfysicus schijnt zo’n bijbeltje bij zich te dragen. Dat kan ook makkelijk, al is een loep of bril soms geen overbodige luxe. Editie 2010 telde inclusief notitieruimte achterin 306 pagina’s op het formaat van een kleine zakagenda.

Ik was destijds verguld met het cadeautjes, maar ook verbluft. Niet zozeer omdat je zoveel natuurkunde in zo’n klein boekje kunt persen. Vooral omdat het kennelijk toch nog zoveel pagina’s vergt om weer te geven wat we van de deeltjes weten. Ik dacht eerlijk gezegd dat we daarvoor tegenwoordig aan een paar formules en een lijstje constantes genoeg hebben, qua deeltjes.

Dat is althans waar het altijd maar weer over gaat: dat we sinds de jaren zeventig het Standaard Model van de deeltjesfysica hebben dat haast hinderlijk goed klopt met alle metingen. In Cern zijn ze daarom behalve naar het befaamde Higgsdeeltje vooral ook op zoek naar afwijkingen van het Standaardmodel.

Het Standaardmodel kan namelijk niet het hele verhaal zijn, bijvoorbeeld omdat de zwaartekracht op deeltjesniveau er helemaal niet in zit. Voor de deeltjes is dat niet erg. Maar voor de fysici die de hele Schepping willen doorgronden wel.

Het merkwaardige feit doet zich dus voor dat in de bijbel van de deeltjesfysica het scheppingsverhaal ontbreekt. Ik heb geen signalen dat dat in editie 2012 anders is.

Sterker: het Higgsdeeltje, het deeltje dat alle andere deeltjes massa geeft, staat er ook nog steeds niet in. Wel de aanwijzingen voor een mogelijke signaal (hints) bij een energie van pakweg 125 GeV, gemeten met de twee grote detectoren op Cern in Geneve. Maar meer ook niet.

Binnenkort zitten alle relevante deeltjesfysici in het vliegtuig naar Melbourne, Australie, voor de jaarlijkse internationale zomerconferentie voor de hoge-energiefysica. Er zullen zeker meer data komen over de Higgsjacht en wie weet zelfs iets meer dan een hint. Alle Cern-fysici die ik ken, houden hun kaken momenteel stijf op elkaar.

Ook, vermoed ik, omdat ze er echt nog niet uit zijn: of de Higgs er is of niet. En al hebben ze dus net een vers bijbeltje, doorgaans lijken het me niet de types om te bidden.