Bernard Wientjes snapt het niet

De satirici van De Speld hadden het kunnen bedenken. Maar het staat er echt, op de website Science Guide: werkgeversvoorman Bernard Wientjes zegt dat hij in een nieuwe kabinetsperiode de hele wetenschap wil weghalen bij het ministerie van OCW. En het onderbrengen bij Economische Zaken, de laatste jaren trouwens EL&I geheten.

Daar, zegt de VNO-NCW-baas in het bericht, hebben ze immers wel verstand van innovatie. En bij het ministerie van Onderwijs niet.

Dat laatste is natuurlijk waar. Innovatie is geen hoofdzaak voor Onderwijs. Dat is namelijk onderwijs.

Wat mooi uitkomt, dant wetenschap ís onderwijs. Onderzoek is voor het hoger onderwijs een spin-off. Het is wat er gebeurt als je universiteiten hebt waar slimme mensen nieuwe slimme mensen opleiden. Die leer je het beste nadenken door onderzoek te doen naar wat we nog niet weten. Wat ze ontdekken noemen we wetenschap.

Dat uit dat procede geregeld dingen komen die bruikbaar zijn voor de rest van de samenleving in mooi meegenomen en vooral achteraf ook een prima rechtvaardiging voor het investeren in wetenschap. Een extra rechtvaardiging eigenlijk: want nieuwe generaties slimme mensen is waar het hoger onderwijs natuurlijk echt om draait. Die zijn veel meer waard, dan een nieuwe high-tech broodrooster.

Bij EL&I zien ze dat natuurlijk heel anders. Die willen vooral nieuwe broodroosters, made in Holland. En verkeren in de veronderstelling dat je die bij de wetenschap kunt bestellen. Dat kan inderdaad. Sterker: het is helemaal niet verkeerd om iets te willen hebben aan wat de wetenschap uitspookt.

Maar wetenschap is veel meer dan nieuwe broodroosters. Het is de belangrijkste bijzaak van goed hoger onderwijs. Niet meer en niet minder.

Het antwoord op Wientjes plannetje is dus eenvoudig. Wetenschap hoort juist bij OCW omdat ze daar meer verstand hebben van onderwijs, dan bij Economische Zaken. Laat de industrie zijn eigen broodroosters maar bedenken.

Natuurlijk staan de bladen vol troep

Het wetenschappelijke tijdschrift PLOS biedt sindskort auteurs de mogelijkheid dat hun resultaten tegen betaling worden gecheckt door een onafhankelijk lab of instituut. Dat zou een bekend probleem van de wetenschap wegnemen: de bladen staan vol met ongereproduceerde resultaten, terwijl ze validatiestudies niet spannend genoeg vinden.

Een goed idee? Ik snap er eigenlijk weinig van. Er wordt kolossaal veel wetenschappelijk gepubliceerd, en het meeste daarvan interesseert niemand ene lor. Ook collega’s niet. Niemand kijkt er ooit nog naar om.

Dat is ergerlijk, en inefficiënt. Maar kennelijk is dat hoe het gaat in de wetenschap. De bladen staan vol met ongecontroleerde halve waarheden en losse flodders. Wen er maar aan.

Relevante wetenschappelijk resultaten worden al doende echt wel geverifieerd door onderzoekers die er mee verder gaan. Kloppen die resultaten niet, dan is dat op zich een publicatie waard. Sterker: alle klaagzangen over onreproduceerbare studies zijn gelardeerd met voorbeelden waarbij de fouten juist wel zijn ontdekt en gepubliceerd. Het virus dat het Chronische Vermoeidheid Syndroom zou veroorzaken. Koude kernfusie. Allemaal bagger. In keurig gepubliceerde studies aangetoond.

Wat echt interessant is, krijgt vroeg of laat het oordeel dat het verdient. Expliciet als het niet deugt. En impliciet in alle andere gevallen. Daar verandert betaalde verificatie verder niks aan.

Peter Higgs (84) moet nog zeker een jaar doorademen

In het jongste nummer van EOS staat een prettig gesprek met de ‘andere’ bedenker van het Higgsdeeltje, theoreticus Francois Englert (80) van de Vrije Universiteit van Brussel. Samen met wijlen Robert Brout, een tot Belg genaturaliseerde Amerikaan, beschreef hij in 1964 het mechanisme van het scalaire veld dat deeltjes specifieke massa geeft. Peter Higgs had precies op dat moment hetzelfde idee, geïnspireerd overigens door de latere Nobelprijswinnaar Yoichiro Nambu. Alleen schreef hij ook nog op dat dat veld te herkennen is aan een specifiek deeltje, een zogeheten scalair boson, een ding met massa en geen spin.

Op 4 juli meldde CERN de ontdekking van een nieuw deeltje dat maar één ding kan zijn: de Higgs.

Uiteraard gaat in het in EOS ook over een Nobelprijs voor die ontdekking. Englert bekent dat hij hem graag wil hebben, in dat geval uiteraard gedeeld met collega Peter Higgs. In 2013 lijkt hem wel een goed idee. Dan weten we waarschijnlijk meer van het betreffende deeltje dan nu.

Er gaan stemmen op om niet zo lang te wachten, vooral ook omdat Higgs met zijn 84 jaar inmiddels behoorlijk breekbaar is. Dan zou het dus meteen 2012 moeten zijn. bekendmaking eerste week van oktober. Uitreiking 10 december, de sterfdag van Alfred Nobel.

Maar tenzij ze in Stockholm een noodprocedure hebben ingesteld, gaat dat niet gebeuren. Normaal krijgt een selecte groep wetenschappers en Nobel-laureaten in september van het voorgaande jaar een invitatie om mensen voor een Nobelprijs te nomineren. Die moeten in februari binnen zijn. Tot mei zijn er consultaties van deskundigen over de nominaties. In de zomer schrijft een comité een rapport over een of meer serieuze kandidaten. De rapporten worden in september ingediend, waarna in oktober de leden van de Zweedse Academie van Wetenschappen een keus maken.

Vorig jaar september was CERN nog hoog en breed op zoek naar de Higgs. In december waren er wat voorzichtige aanwijzingen, maar die waren statistisch nog niet solide, en dat was in februari (deadline) ook nog zo. Op 4 juli, toen CERN de vondst bekend maakte, was Stockholm al hoog en breed doende met een rapport over wie de Nobelprijs 2012 wel wint.

Peter Higgs, kortom, moet gewoon nog een tijdje doorademen. In elk geval tot de eerste week van oktober 2013. Desnoods krijgt hij hem dan in december postuum, net als Ralph Steinman in 2011, die een paar dagen voor de toekennig overleden bleek te zijn.

En voor alle zekerheid: Englert moet ook doorademen.

Iedere gek kan een tijdschrift beginnen

Is open-access publiceren nou wel of niet een goed idee? In principe een goed idee. Wetenschap is het delen van inzicht. Daar past open communicatie bij, dus dat wetenschappelijke publicaties voor iedereen te lezen zijn. En dus niet dat je daarvoor eerst een peperduur abonnement moet afsluiten, of per artikel afrekenen met de uitgever.

Bovendien kan het gemakkelijk anders. Zeker via internet is iedere publicatie gewoon beschikbaar te maken. Beoordelen, redigeren, publiceren kost natuurlijk geld. Maar dat kan ook gewoon door de auteurs en hun instituut worden betaald. Als er geen dure abonnementen meer zijn, houden ze per saldo misschien zelfs wel geld over.

Zo maar doen dan?

Uitgerekend in het onvolprezen wetenschapsblad/blog The Scientist beginnen de laatste tijd twijfels door te sijpelen over het nobele idee van open-access. De Amerikaanse databibliothecaris Jeffrey Beall beschreef bijvoorbeeld zijn ervaringen met piraterij op de OA-markt. Hij heeft inmiddels tientallen gevallen gezien van loze titels die niet-vermoedende wetenschappers duizenden dollars aftroggelen en er in feite niets voor leveren. Geen redactie, geen review, geen archief, geen plan voor toegankelijkheid op de lange termijn, niks.

Het wetenschappelijke uitgeven bevindt zich zo langzamerhand in een overgangsfase, en dan is chaos haast onvermijdelijk. Maar, waarschuwt Beall, de radicale voorstanders van open access moeten uitkijken dat het kind niet met het badwater wordt weggegooid. Iedere gek met een computer kan een open-access tijdschrift beginnen. Als dat het nieuwe uitgeven is, hoeft het van Beall niet echt.

Het doet allemaal erg denken aan Elschots Algemeen Wereldtijdschrift  voor  FinanciënHandelNijverheidKunsten  en  Wetenschappen, dat ondernemers een poot uitdraaide door ze te laten betalen voor een artikel over hun bedrijf in een tijdschrift waarvan ze zelf de hele oplage betaalden.

Dat was 1924 en fictie. Maar de vraag blijft wel degelijk wat het werkelijke verschil is met het gangbare uitgeefsysteem in de wetenschap, waarbij uitgevers lezers veel te veel geld vragen voor kennis die doorgaans met belastinggeld is geproduceerd.

Het lijkt me al met al vooral hoog tijd dat de erkende wetenschappelijke uitgevers als Elsevier overstappen op open-access. En dat de luidruchtige aanhangers van open-access (inmiddels staat de teller van de Elsevier-boycotters http://thecostofknowledge.com/ op meer dan twaalfduizend) ze die kans ook geven.

Wat doet Utrecht eigenlijk zo goed?

De jaarlijkse Shanghai Ranking van beste universiteiten werd woensdag zo naarstig bekeken, dat de servers ervan haperden. Waarom is me eigenlijk een raadsel. Er is namelijk geen spat veranderd in vergelijking met de ranglijst van 2011. Of van 2010. Harvard is de allerbeste. Dan komt Stanford.

En na enkele tientallen andere Angelsaksische universiteiten komt dan eindelijk Utrecht als beste Nederlandse instelling. Plaats 53. Op iets van 30 procent van de echte topscore. Leiden staat op 73. Alle anderen komen pas voorbij positie 100.

Die positie van Utrecht is natuurlijk een geschenk uit de hemel voor de instelling zelf. En aangezien Utrecht al tien jaar als beste Nederlander uit de bus komt, zal het ook wel terecht zijn. Utrecht is kennelijk goed. De ongemakkelijke vraag is alleen waarin? Waarom is Utrecht de beste van Nederland?

De Shanghai Ranking is een duivelse mix van parameters voor de kwaliteit van onderwijs, van de staf, van de output, van de instelling en per staflid. Onderwijskwaliteit wordt gemeten als het aantal Nobelprijswinnaars van de instelling, na 1991. Stafkwaliteit aan de hand van het aantal Nobelprijswinnaars of winnaars van een Fieldsmedal, en het aantal veelgeciteerde onderzoekers. De output wordt gemeten aan de hand van het aantal papers in Science en Nature, en het aantal officieel gepubliceerde papers.

Waar zit Utrecht dan zo bijzonder goed? Ze publiceren veel, maar dat doen anderen ook. Ze halen relatief veel Science en Nature, maar dat doen anderen ook. Ze worden relatief vaak geciteerd, maar dat hebben anderen ook. En eerlijk gezegd produceren ze per staflid nou net wat minder dan de anderen.

Wat maakt Utrecht dan goed? In feite komt het allemaal maar op één ding neer: recente Nobelprijswinnaars. Utrecht won in 1999 met ’t Hooft en Veltman, en in 1995 ook met Crutzen. Volgens de logica van Shanghai dragen zij kwalitatief de instelling.

Of je daar als ambitieuze student werkelijk iets aan hebt, lijkt me de vraag. Het drietal is allang met pensioen. Maar sjiek staat het zeker.

Kennisland Nederland praat zichzelf een probleem aan

Vorige maand somberde TNO een rapport bij elkaar, dat ons wegzet als een innovatievolger met veel ambities en een wat sneue toekomst. Nu is er een studie van patentorganisatie WIPO die Nederland op plaats 6 zet in de wereld ranking van innovatieve landen. Nederland is een topland. Wie heeft er gelijk?

Waarschijnlijk beide. Volgens het TNO-rapport was er sprake van een redelijke toppositie voor Nederland, maar schort het aan de voorwaarden om echte top te worden. Bijvoorbeeld omdat er onvoldoende in R&D wordt geinvesteerd. te weinig in onderwijs. En in het kweken en vasthouden van slimme mensen. Dat baart zorgen. En dus is voor TNO het glas hooguit half leeg.

Patentorganisatie WIPO liet zijn rapport net als voorgaande jaren maken door businessschool INSEAD. Dat legt zich meer toe op de context voor innovatie van landen, dan alleen op het al dan niet aanjagen ervan. Nederland scoort dan hoog, op een zesde plaats na de bekende toplanden als Zwitserland, Zweden, Singapore, Finland en de UK. Zelfs de VS komen pas verderop, op plaats 10. Vorig jaar stonden we nog op 9 in deze Global Innovation Index.

Voor INSEAD is Nederland een topland met wat aandachtspunten.

Nederland, is al met al de conclusie, is wel degelijk kei-innovatief.

Maar, zeggen velen dan meteen: onze relatieve topposities (in wetenschap, in innovatief vermogen) zijn de restanten van betere tijden. Het kan alleen maar minder worden.

Kan. Maar misschien is dat toch ook wel gewoon onnodig somber en praten we vooral onszelf een probleem aan.

Sterker: alle gesomber komt merkwaardig veel spelers in de Nederlandse innovatiesector eigenlijk wel goed uit. TNO bijvoorbeeld. Maar eerder ook de KIA-coalitie van Rinnooy-Kan, VNO-NCW, en de kennissector. Er zijn te veel mensen en instanties die er belang bij hebben dat we met zijn allen denken dat Kennisland Nederland op inklappen staat. In elk geval te veel om dat verhaal zomaar te geloven.

Na de zomer gaan we dat verhaal eens lekker fileren.

Als ik Gerrit Hiemstra was

In eerste instantie denk je dat het een grap is: horeca-uitbaters die zich beklagen over de kwaliteit van het weerbericht. Weermannen, is de bottom-line van de verbolgen betogen (gisteren nog op ons ongeëvenaarde NOS Journaal), zijn te negatief. Als er maar een kansje is op regen morgen, heet het meteen buiig. Dat schrikt mensen af van een dagje naar het strand, waar de paviljoens vervolgens met hun patat en bier blijven zitten. Terwijl het bij nader inzien eigenlijk best lekker weer blijkt.

Dat is inderdaad zuur. Maar de vraag is of dat aan Gerrit Hiemstra en de anderen ligt. Afgezien van hun rituele afsluiting van de bulletins, is hun functie er een van risicobeheersing. Ze informeren me over mogelijk onheil, wat handig kan zijn bij het nemen van besluiten. Aan weermannen die alleen maar mooi weer spelen heb je in dat verband minder dan aan eerlijke weermannen.

Wat mij betreft is er weinig heerlijker dan alle waarschuwingen ten spijt gewoon op pad gaan en nadien vaststellen dat het fantastisch weer is geworden. Maar kennelijk hebben steeds minder mensen dat gevoel voor het avontuur dat het Nederlandse weer nu eenmaal biedt.

We zijn met zijn allen een stel angsthazen geworden die de deur niet meer uit durven voor dat alle seinen op groen staan. Daar hebben de horeca-uitbaters last van. Niet van weermannen die de waarheid spreken. Hetgeen natuurlijk naadloos past in het antiwetenschappelijke sentiment dat ons inmiddels hoe dan ook overspoelt. We mijden liever het echte leven, dan dat we enig risico willen lopen.

Een jaar geleden werden Italiaanse seismologen voor de rechter gesleept omdat ze de aardbeving bij l’Aquila niet hadden aangekondigd. Binnenkort staat hier onze Gerrit Hiemstra voor de rechter omdat hij een bui heeft voorspeld die er niet kwam.

Gerrit kan het kortom nooit goed doen. Altijd mooi weer spelen, kost hem de kop als het slecht blijkt. En altijd somberen is ook dus niet goed.

Als ik Gerrit Hiemstra was, ging ik met pensioen. Dan kijken wij in het vervolg wel op Buienradar. Trouwens hoe dan ook een beter idee, als je er onverhoopt uit moet.

We moeten wetenschap gewoon onderwijs noemen

Interessante cijfers van de OECD, onlangs, waarvan ik me afvraag of die nu en dan niet eens opening krant zouden moeten zijn. Wat is het rendement van hoger onderwijs? Enorm, rekent de OECD voor. Hoger onderwijs kost een hoop. Maar het levert zowel de student persoonlijk als de samenleving voor de rest van hun leven voordeel op. Gemiddeld kost een hogere opleiding 30 duizend dollar meer dan een lagere. Gemiddeld levert die dik 90 duizend dollar meer op, aan persoonlijke inkomsten. En dus deels ook aan inkomensbelasting.

Natuurlijk, zulke cijfers zijn een modderpoel van discutabele aannames en afwegingen. Bovendien zijn ze wel erg algemeen. Maar de boodschap is helder: een samenleving heeft wat aan hoger onderwijs.

Ook Nederland. Volgens de OECD besteedt de overheid per HO-student rond de 60 duizend dollar extra, en haalt daarop 160 duizend dollar terug. Bijna een factor drie zoveel dus. Netto winst: ruim 95 duizend dollar per opgeleide student. We staan ermee in de top-10 van OECD-landen met een rendabel hoger-onderwijsstelsel.

Ten eerst is natuurlijk de vraag waarom er in dit land überhaupt wordt gemekkerd over de kosten van hoger onderwijs. Er zijn weinig overheidsinvesteringen die zo goed renderen. Zelfs als we het geld ervoor moeten lenen, kunnen we het gemakkelijk terugbetalen. Inclusief de rente.

Op persoonlijk vlak is dat niet anders. Een hogere opleiding kost grosso modo drie ton en brengt bijna vier ton extra op, vergeleken met lagere opleidingen. Rendement een ton. Een beter argument voor het leenstelsel, mits op de persoon toegesneden, is er niet. En tegen de langstudeerboete, trouwens.

Zulke cijfers maken ook de discussie over de waarde van de wetenschap misschien wat anders dan je geneigd bent te denken. Meestal gaat het daar over de academische of zelfs cultuurhistorische waarde van de wetenschap (Nederland is een topland!) of de innovatiewaarde (Nederland is een middenmoter en een zorgenkind). Al naar gelang de ideologische veren van de spreker telt het een zwaarder dan het andere.

Het is tijd voor een beter perspectief. Wetenschappelijk onderzoek is gewoon een onderdeel van het systeem van hoger onderwijs. Via de wetenschap leren mensen zindelijk denken en wat je aan systematische nieuwsgierigheid hebt. Dat kost wat. Maar dan heb je ook wat.

Ze moeten gewoon niet van die moeilijke dingen ontdekken

Het blijft interessant om te zien wat de massamedia maken van een monumentaal wetenschapsmoment als de ontdekking van het Higgsboson vandaag. Heel wat, is mijn indruk. Men lijkt te beseffen dat er iets memorabels aan de hand is. En dat je zoiets hoort te melden. Bovendien waren er behoorlijke pogingen om een en ander uit te leggen.

Maar misschien is dat ook maar vooral lippendienst. Tegelijk blijven de media hun publiek namelijk systematisch onderschatten. Presentatoren en eindredacteuren blijven hun gasten en redacteuren maar inpeperen dat ze zelf dus enorme alfa’s zijn en dat er dus niet te moeilijk moet worden gedaan.

Veronderstelling daarbij is dat ze spreken namens hun kijkers en lezer, van wie je kennelijk niet mag verwachten dat die af en toe best zijn aandacht en verstand wil gebruiken.

Het probleem is evenwel niet dat wetenschappers moeilijk doen. Het punt is vooral dat wetenschap vaak over moeilijke dingen gaat. Dingen die je niet in een keer begrijpt, of eigenlijk al weet. Dingen die je even op je moet laten inwerken.

Sterker, dat is zelfs de crux van echte wetenschap. En dus ook het spannende.

Maar media willen die spanning niet aan. Eigenlijk komt het er dus op neer dat wetenschappers gewoon niet van die moeilijke dingen moeten ontdekken.

Kan. Maar lijkt me erg saai.

Hebben ze dat Higgsding nou alweer ontdekt? (3)

Een Higgsdeeltje ontdek je niet zomaar, door het te vinden. Het deeltje ontstaat in theorie heel nu en dan als protonen botsen. Het valt daarna direct uit elkaar, in brokstukken die ook op allerlei andere manieren bij de botsingen kunnen ontstaan. Opgave aan de deeltjesjager is dus om in een stortvloed van signalen op te merken dat sommige signalen net wat harder klinken dan normaal.

Dat maakt het niet alleen een kwestie van veel statistiek. Maar ook een kwestie van heel veel theorie. Hoe klinken de signalen zonder Higgs? En hoe met?

Je zou denken: de fysici hebben intussen een halve eeuw de tijd gehad om daar over na te denken. Maar meer dan een fysicus in CERN-kringen vertelde me gisteren dat het allemaal zo helder niet ligt. Zelfs als er in de LHC-grafieken hobbeltjes worden gezien die statistisch werkelijk iets betekenen, is de ontdekking van de Higgs geen uitgemaakte zaak.

Volgens sommige theoretici kunnen de hobbeltjes namelijk ook door iets anders dan het eenvoudigste Higgsdeeltje worden veroorzaakt en kan er dus nog geen claim worden gelegd.

Op zich een verstandige houding, lijkt het. Ik zou als CERN ook niet graag de vondst van een deeltje claimen waar decennia op gejaagd is, en het dan toch weer moeten afserveren. En waarom ook haasten? Maandag kwam het goeie ouwe Fermilab met zijn eigen glimp van het Higgsdeeltje, maar geen bewijs. Er is geen enkele andere versneller dan de LHC die de Higgs kan vinden.

Anderzijds wordt de irritatie op CERN er hoorbaar niet minder op, vooral bij de experimentatoren. Hebben ze eindelijk beet, blijken de theoreten toch weer roet in het eten te kunnen gooien.

Wat zich hier wreekt is dat CERN en de rest van de deeltjesfysici zich de laatste decennia publicitair helemaal hebben opgeknoopt aan de heroïsche speurtocht naar de Higgs. Dat leverde een mooi eenduidige verhaal op, en een hoop suspense. Maar ook het probleem dat het echte verhaal van de Higgs stukken ingewikkelder is dan wat in normale krantenkolommen past.